Het Molenveld, bij Exloo

HET MOLENVELD

Dit heideveld ligt ten Zuidwesten van het dorp Exloo. Exloo is een typisch Drents esdorp met een mooie dorpskern. Het dorp wordt omringd door prachtige heidevelden zoals het Molenveld. U vindt er prachtige bloeiende heideplanten, een licht heuvelig landschap, een vennetje en diverse wandelpaden. 

Het landschap dat we hier aantreffen is niet altijd zo geweest, maar in duizenden jaren geleidelijk door menselijk ingrijpen ontstaan. In de Gouden Eeuw stegen door de bloei van de economie de graanprijzen en werd het voor de boeren aantrekkelijk om meer woeste gronden in gebruik te nemen. Rond 1850 was 65% van Drenthe met heide bedekt. Aan het eind van de 19e eeuw zorgde de introductie van kunstmest voor een grote ommekeer. De schapen werden als mestleverancier overbodig. De hei kon worden afgebrand en na omzetting als landbouwgrond in gebruik worden genomen. Daarom werden grote delen van het Molenveld ontgonnen en bleef het huidige terrein over. Dit was niet vruchtbaar te maken. Wat er nog van de heide over was, werd bij gebrek aan begrazing overwoekerd door grassen en bomen. In de Midden Steentijd (vanaf ca. 9700 v.Chr.) vormde zich hier een immens moeras, doordat het stroompje van de Hunze onvoldoende water kon afvoeren naar zee. Het was eeuwenlang een barrière tussen de Hondsrug en meer naar het oosten gelegen hogere terreinen. Toch heeft men zich al in de prehistorie in het moeras gewaagd en het vanaf de Middeleeuwen getracht te exploiteren. De natte gedeelten die het dichtst tegen de heuvelrug aanliggen (de Exloosche Landen), werden al vroeg door de bewoners gebruikt als weidegebied.

In de Nieuwe Steentijd - ruim vijfduizend jaar geleden - vestigden de eerste landbouwers zich op het hoger gelegen westelijk zandgedeelte van deze omgeving. Ze behoorden tot de trechterbekercultuur en lieten talloze sporen na. Zo begroeven ze hun doden in hunebedden samen met gebruiksvoorwerpen als aardewerken trechterbekers en werktuigen. De esdorpen op de Hondsrug ontstonden in en na de vroege middeleeuwen. Deze dorpen hadden één of meer gemeenschappelijke essen. De agrarische gemeenschappen verbouwden hun voedsel op de essen en hielden hun schapen op de heidevelden. Het oostelijk deel van de gemeente, toen nog gemeente Odoorn, was oorspronkelijk een uitgestrekt hoogveenmoeras. De ontginning van het hoogveen begon vanaf 1800. Kanalen werden gegraven, het hoogveen werd afgegraven en verwerkt tot turf. Wat overbleef waren de dalgronden, later omgevormd tot vruchtbare landbouwgrond. De grote ontginningen van de hoogveenmoerassen begonnen in de I7de eeuw en werden na 1850 een complete industrie. In het noordoosten zijn toen de dorpen Exloërveen, Exloërkijl en Eerste en Tweede Exloërmond ontstaan, op het Hondsrugdorp Exloo georiënteerde veenkoloniën. De ontginning van wat er toen nog over was aan woeste   grond, gebeurde nog later. Daar liggen nu de meestal kleine veenkoloniale ontginningsdorpen. 

 Het Molenveld is het laatste grote stuk heide in deze omgeving. Hoewel de hei ‘maar’ zo’n 80 ha beslaat, geeft zij toch een indruk van het uitgestrekte onland dat vóór 1900 grote delen van Drenthe besloeg.     De natte gedeelten dragen bij aan het schilderachtig karakter van het veld, net als de schaapskudde die hier in de zomermaanden dagelijks vanuit Exloo komt grazen. Vanaf de paasvakantie tot en met de     herfstvakantie trekt de scheper met zijn kudde er dagelijks op uit. Buiten deze periode alleen in de weekenden en in de schoolvakanties dagelijks. Het is mede aan hun gegraas te danken dat de hei hier   nog bloeit, Ietterlijk en figuurlijk. Veel andere heideterreinen zijn sterk vergrasd en moeten met kunstmatige middelen (zoals afplaggen, maaien of afbranden) aan hun paarse gloed worden geholpen. Sinds 1981 doen natuurorganisaties er alles aan om het oude heidelandschap - dat nog maar 5% van het Drentse grondgebied vormde - te herstellen en te onderhouden. Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van de schaapskudden en andere grazers.

De schapen van de kudde waren vroeger eigendom van de diverse boeren uit het dorp. De scheper haalde de schapen 's morgens bij de boerderijen op en bracht ze 's avonds weer terug. Als vergoeding kreeg de scheper de kost bij de boeren. De Exloër kudde was tot 1960 in particuliere handen. Vanwege de hoge exploitatielasten dreigde deze kudde te verdwijnen. En dan te bedenken dat er een tijd was, dat in Exloo twee kudden schapen van elk 1500 dieren naar de heidevelden trokken! Op initiatief van de toenmalige burgemeester is de kudde in 1960 door de gemeente aangekocht. De kudde telt tegenwoordig zo’n 200 schapen van het ras het Drentse heideschaap. Tijdens de lammertijd verdubbelt dit aantal. De schaapskudde is gehuisvest in de schaapskooi die midden in het dorp Exloo staat. Dit betekent dat de scheper met zijn kudde altijd dwars door het dorp gaat: een unieke beleving en een prachtig gezicht! De gang door het dorp zet als het ware de tijd even stil.

Schaapscheren

Het scheren van de schapen gebeurt (ook nu nog) altijd op de zaterdag voor Pinksteren tijdens het Schaapscheerdersfeest. Vroeger gebeurde dit scheren door een aantal (oude) Exelers. Deze schoren op die zaterdag ongeveer de helft en op de dinsdag erna de andere helft. De kudde bestond toen uit 150 schapen. De huidige scheerders halen dit aantal tegenwoordig niet meer. De andere schapen laat hij samen met een collega schapenhouder scheren door professionele scheerders. Het ven op het Molenveld werd heel vroeger gebruikt voor het wassen van de schapen vóór het scheren. In latere jaren gebruikte de jeugd van Exloo het ven om te leren schaatsen. Maar dit alles is nu verleden tijd. Doordat onder het ven leem in de ondergrond zit, staat er altijd water in het. Plantensoorten als Veenpluis met zijn mooie witte pluimen bloeit er veelvuldig. Verder zonnedauw en Eenarig wollegras. Ook is er een kleine populatie Heikikkers in het ven.Het ven

De naam Molenveld kan worden verklaard, doordat aan de rand van Exloo vroeger een molen heeft gestaan en van daar uit keek men via de es over de heide. De molen stond waar nu de hoek Boslaan/Hoofdstraat is. Het was een standaard windmolen met bouwjaar van voor 1832, maar schijnt voor 1850 al weer verdwenen te zijn. De molen werd gebruikt als korenmolen.

Beheer

De ontwikkeling van heide is het resultaat van bepaalde vormen van menselijk beheer. De mens belette voornamelijk bosvorming. De natuurlijke ontwikkeling (n.l. de plantengroei) daarentegen gebeurde spontaan. Daarom noemen we heide een half natuurlijk landschap: het is deels mensenwerk en deels het werk van de natuur. Heide kan alleen maar overleven, mits actief ingrijpen van de mens.

Zonder beweiden, branden, maaien of afplaggen gaat heide spontaan in bos over. Nadat in de zestiger jaren de ontginningen van de heide gestopt waren, vormde het achterwege blijven van het traditionele beheer een nieuwe aanslag op het areaal heide door verstruiking en verbossing. Ook momenteel gaat de verbossing nog door. Verder vergrast de heide sterk als gevolg van de hoge depositie van stikstof. Beweiding met schapen en runderen of plaggen zijn op dit moment de meest gebruikelijke beheersmaatregelen om dichtgroeien en vergrassing van de heide tegen te gaan. 

Het Molenveld wordt omschreven als een typische Droge Heide vegetatie. Een dergelijke heide is hoofdzakelijk begroeid met Struikhei, Kruip- en Stekelbrem (alle drie soorten komen hier ook voor). Daarnaast soorten als Kraaihei, Pijpenstrootje, Schapengras en Bochtige smele. Verder komen er korstmossen waaronder Heidelucifer, Rendiermos- en bekertjesmossoorten voor. Op het Molenveld komen verder plantensoorten voor zoals; Buntgras, Jeneverbes, Moeraswolfsklauw, Veenbies, Blauwe-en Rode bosbes, Bruine snavelbies en Kleine zonnedauw. Je vindt op het Molenveld drie heidesoorten. Struikheide is het meest algemeen en bekend om zijn paarse pracht. Zij groeit op de droge, zandige gronden. Naast Kraaihei, die ook op droge plaatsen groeit vind je er Dopheide. Dopheide groeit op de natte gedeelten en heeft rosé bloemetjes die in trossen bij elkaar hangen.

Kraaihei is een overblijvende zoden vormende plantensoort. Bloeimaanden: April en mei. De stengels kruipen over de grond, zijn soms klimmend, maar wijd vertakt. De jonge takken kleuren roodachtig. Bladeren: Wintergroen, dicht opeen, verspreid tot bijna kransstandig, lijnvormig tot langwerpig, glanzend diepgroen, een omgerolde rand. Bloemen: Tweehuizig, alleenstaand in de bladoksels, vaak dicht opeen, aan het eind van de takken, roze of paarsrood, Vruchten: Ronde bessen, zwart, 5 tot 6 mm , eetbaar, bitter.

StruikheideStruikheide is ook een overblijvende soort. De bloei valt van Juli t/m september. Struikheide worteld niet erg diep: meestal niet dieper dan 10 tot 20 cm. De stengels zijn sterk vertakt, jonge planten met een korte, min of meer opgerichte hoofdstengel en liggende tot opstijgende, tegenover elkaar staande, in een kring uitgespreide zijtakken. Vanaf ongeveer 7 jaar vormen ze een stammetje met forse zijtakken, vaak uitgestrekte matten. Ook van deze heidesoort zijn de bladeren wintergroen.

Tot slot de Gewone dopheide, ook weer een overblijvende soort. De bloei valt ongeveer samen met Struikheide, hoewel dopheide iets eerder begint: Juni tot september. De liggende takjes van de stengels vormen een dichte mat. In een natte omgeving ontstaan veel bijwortels. De bloeitakken richten zich op. De jonge takjes zijn behaard. Bladeren: De wintergroene blaadjes zijn grijsgroen, langwerpig tot Iijnvormig en van boven kort behaard.

Buntgras heeft een dicht wortelstelsel, dat soms tot ruim 0,5 meter diep de grond in gaat en horizontaal ongeveer tot 0,5 meter buiten de pol. Delen van de lange wortels zijn dicht bezet met korte, fijne zijworteltjes. De stijve,Buntgras rechtopstaande bladeren zijn borstelachtig ingerold. Ze zijn ruw door hele kleine stekeltjes. Ze hebben een scherpe punt. Buntgras is goed bestand tegen extreme omstandigheden zoals grote hitte, droogte, kalkloze, zure bodems en voedselarme situaties. Buntgras is een zogenaamde pioniersplant: als er kaal zand aanwezig is, dan kan Buntgras hier groeien. Wordt het plantendek te dicht, dan verdwijnt het weer.

Ook de moeraswolfsklauw is een pioniersplant. Juist bij deze wolfsklauw ontkiemt een spore snel, tenminste als de plek geschikt is. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van nieuwe natuur. Zo’n frisgroene mat van moeraswolfsklauw is een prachtig gezicht. Geniet er maar van, want de kans is groot dat ze er na een paar jaar niet meer staan. De boosdoener is een natuurlijk proces dat successie heet. Successie is een opeenvolging van plantengemeenschappen met als eind stadium het bos. De planten die je als eerste op de kale zandvlakte tegenkomt zijn de pioniers. Deze verkenners blijven niet lang, want ze worden vrij snel verdrogen door andere vegetaties, zoals heide. De moeraswolfsklauw is daardoor geen blijvertje, die je aantreft op natte en vaker overstroomde bodems die bestaan uit zand met daarop een laag bestaande uit organisch materiaal, zoals geplagde natte heide, of aan de rand van vennen en paden. Moeraswolfsklauw is een laag blijvende sporenplant. Er ontwikkelen zich vanuit de kruipende hoofdstengel een of twee rechtopstaande zijstengels die kunnen eindigen in een iets verdikt gedeelte, de sporenaar. Aan de maximaal 15 cm lange, kruipende en rechtopstaande stengels staan de tot 6 mm lange bladeren. De bladeren zijn frisgroen van kleur, maar aan het oudste deel van de hoofdstengel kleuren ze wel naar bruin. Bloemen hebben ze niet en zullen ze ook nooit krijgen, omdat het sporenplanten zijn, net als paardenstaarten, mossen en varens. Die bloeien nooit, ze verspreiden geen zaden, maar sporen. Als een volwassen plant in de nazomer sporen heeft gevormd sterft ie bijna helemaal af. Aan de voet van de rechtopstaande stengel vormen zich overwinterende knoppen die in het volgend jaar tot nieuwe planten uitgroeien. Zo kunnen moeraswolfsklauwen groene tapijten vormen en zijn ze makkelijk te vinden. Zo’n duizend soorten telt de Wolfsklauwfamilie, in Nederland vinden we hooguit vijf soorten. De moeraswolfsklauw is hier de meest algemene. Onze huidige Wolfsklauwen zijn laagblijvende tamelijk onopvallende planten. Hoe anders is het in het Devoon en Carboon geweest, toen er grote boomvormige Wolfsklauwen op aarde grote bossen vormden waaruit onze dikke steenkoollagen ontstaan zijn. In de streken waar de aardkorst waarop wij nu leven en wonen destijds gelegen waren heerste een tropisch klimaat.

Er staan een paar mooie grote jeneverbesstruiken in het gebied. Bij mist werden ze heel vroeger nog wel eens aangezien voor ‘witte wieven’, vooral door lieden die te diep in het glaasje hadden gekeken. De stam is vanaf de voet vertakt, breed uit groeiend of zuilvormig. De takken zijn opstijgend of rechtop, zeskantig met bladeren die wintergroen zijn en priemvormig met een scherpe punt. Deze conifeer kent zowel mannelijke als vrouwelijke exemplaren. De vrouwtjes worden in mei en juni bestoven als de wind pollen van de mannetjes met zich mee voert. Vind er bestuiving plaats, dan komen er kegelvormige bessen aan, die eerst lichtgroen zijn, in het tweede jaar rijpen en kleuren dan blauw tot zwart. In de winter blijven ze aan de plant zitten. Vogels en kleine dieren zijn er dol op. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). In Nederland is de jeneverbes vrij zeldzaam tot zeldzaam in de zandstreken in het oosten en midden en zuiden, het meest in Drenthe, Overijssel en Gelderland.  Zeer zeldzaam in de duinen van Texel en Vlieland en noordelijk Noord-Holland. Groeiplaatsen: Stuifzand, duinen, open naaldbossen, tussen struikgewas, heide, rotsige hellingen en open plekken in loofbossen. De jeneverbes vergrijst en sterft binnen tien jaar uit in Noord- en Oost-Nederland. Zo luidde de mededeling van onderzoeksbureau Alterra in 2004. Deze mededeling sloeg in het noorden in als een bom. Het nieuws zorgde ervoor dat er een grote thema-avond werd georganiseerd. Dit leidde er toe dat het Jeneverbesgilde Drenthe (www.jeneverbesgilde.nl) werd opgericht. De jeneverbes is een wonderlijke struik. Dat blijkt uit zijn lange geschiedenis, in zowel ecologisch als folkloristisch opzicht. Niet voor niets zijn in Europa meer dan driehonderd streeknamen van de struik bekend. Het karakter van de jeneverbes is mythisch en mysterieus. De vormen lopen sterk uiteen; van een slanke zuil van zes meter hoog tot een wijdvertakte struik van minder dan drie meter hoog. De oude Egyptenaren gebruikten de aromatische olie uit de naalden, samen met andere oliën, voor het mummificeren van hun doden. De naalden en takken werden, samen met beukenhout, gebruikt voor het roken van ham. De bessen worden nog steeds gebruikt bij de bereiding van jenever.

Op Molenveld vinden we 2 soorten bosbes, de Rode- en de blauwe bosbes. Bosbessen zijn overblijvende dwergstruiken.

Rode bosbes (of Vossenbes): De takken zijn lichtbruin, rond en min of meer behaard. De bladeren blijven ook in de winter groen. De bladeren zijn leerachtig en glanzend met een omgerolde bladrand. Van onderen zijn ze lichtgroen met donkerder klierpuntjes. Verder zijn ze langwerpig tot omgekeerd eirond en stomp. De bloei is in mei en juni, soms ook in augustus, september en oktober. De bloemetjes zijn tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen vormen overhangende trosjes aan het eind van de takken. De kelk is roodachtig met driehoekige, spitse slippen. De kroon is klokvormig en rozewit. De rode of heel zelden witte bessen zijn bolvormig, 0,5 tot 1 cm. Ze zijn zuur van smaak en eetbaar. De zaden zijn zeer kortlevend (< 1 jaar).

Blauwe bosbes: De struikjes van de Blauwe bosbes zijn sterk vertakt. De takken staan rechtop, zijn glanzend lichtgroen en vrijwel kaal. Vaak groeien de planten in grote groepen. De lichtgroene bladeren zijn eirond. De bladrand is vlak en fijn gezaagd. De bladeren vallen in de winter af. De plant is wel wintergroen! Deze bosbes bloeit soms al in april, en in mei en juni (maar soms ook in juli, augustus, september en oktober). Ook deze bloemen zijn Tweeslachtig. De meestal alleenstaande, 4-6 mm grote bloemen groeien in de bladoksels. Ze zijn bolvormig en ook knikkend. Aan de voet zijn ze bleekgroen, naar de top lichtrood. Ze hebben korte, naar buiten omgerolde lobjes. De wortels van de Blauwe bosbes heeft een mycorrhizale symbiose met schimmels. De schimmels leveren voedingsstoffen uit de bodem, terwijl de Blauwe bosbes de schimmels suikers en koolhydraten bezorgt. Dit gebeurt via de talrijke schimmeldraden die verbonden zijn met de wortels. De blauwzwarte, ronde bessen zijn zoet en eetbaar. Ze bevatten paars sap. Bovenaan zit een indeuking. Ook deze zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). 

Op het Molenveld zijn van haast alle diergroepen wel soorten te zien. Naast amfibieën en reptielen, vogels, zoogdieren en insecten. Enkele opmerkelijke dieren van het Molenveld zijn; Klapekster, Roodborsttapuit, zandhagedis, levendbarende hagedis, Heikikker. Ook worden er weleens Raven gespot. 

Net op de grens naar het Odoornerzand zitten Mierenleeuwen. Dit zijn insecten waarvan de volwassen dieren op libellen lijken. De larven leven in het mulle zand en graven een trechtervormige valkuil. Daarmee vangen ze spinnen en mieren. Met zijn platte kop duwt hij zand weg en gooit het ook naar mieren, die in de kuil zijn gevallen. De prooi valt in de trechter, wordt gegrepen door de grote kaken van de larve en daarna leeggezogen. De larven zijn van vroeg in het voorjaar tot ver in het najaar actief. De volwassen dieren hebben een korte levensduur. Mierenleeuwen gaan sterk in aantal achteruit. Dit insect eist rul zand van de goede korrelgrootte, want een toevallige passant die langs de rand loopt moet erin glijden en dat gaat alleen als de korrels lekker klein zijn. 

De zandhagedis is een robuust gebouwde hagedis waarvan vooral de mannetjes in het voorjaar en de zomer opvallen door de groene kleur op hun flanken. Zandhagedissen komen voor in warme en droge gebieden in duinen en op heiden. De vrouwtjes leggen hun eieren in het zand, die vervolgens uitgebroed worden door zonnewarmte. Kleine stukken heide worden afgegraven speciaal voor de zandhagedis zodat ze haar eieren kan leggen in rul, droog zand. Dit zien we nu eigenlijk alleen nog op de paden op de hei. En dat geeft verstoring voor de ei-leggende vrouwtjes hagedis (mountainbikers). Dus graaft SBB stukken af om weer open zand te vormen en hopen dat de hagedis daar de eieren gaat leggen.

De levendbarende hagedis is ons kleinste maar tevens succesvolste reptiel. De soort onderscheidt zich van de andere inheemse hagedissen door een eenvoudige, bruinige kleur zonder echt opvallende tekening of patroon. En er is altijd (een aanzet tot) een donkere rugstreep aanwezig. De soort komt vooral voor op zandgronden in het oosten, midden en zuiden, maar ook op de hoogvenen in dat landschap, op Terschelling en in delen van Zeeland. De leefplaats is zeer divers, al worden vooral heidegebieden, hoogvenen en open bossen bewoond. Zoals de naam al doet vermoeden baart deze hagedis levende jongen. Deze hagedis is eierlevendbarend. De pas geboren diertjes zijn verpakt in een doorschijnend vlies, waar ze direct of na langere tijd uitbreken.

Ook bekend op het Molenveld is de Heikikker. Heikikkers houden van open plekken met kleine watertjes zoals vennen en poelen in open plekken in het bos, heidevelden of duinpannen. In de voortplantingstijd zijn heikikkers erg schuw en duiken ze direct onder water als er iets verdachts gebeurt. In de voortplantingstijd (eind februari, tot uiterlijk begin april met een piek in kooractiviteit in maart)worden de mannetjes van de heikikker soms licht- tot fel blauw kleuren doordat er door veranderende hormoonspiegels lucht onder de huid kan komen. waardoor ze beter opvallen voor de vrouwtjes. En voor de vrouwtjeskikkers geldt: hoe blauwer het mannetje, hoe aantrekkelijker ze hem vinden. Deze kleur is maar enkele dagen aanwezig. In het voorjaar op zwoele avonden roepen koren heikikkers hun `bloep-bloep`; het geluid wordt omschreven als lucht die ontsnapt uit een fles onder water. De heikikker is een middelgrote kikker met een iets spitse snuit. Heikikkers hebben een bruinige kleur, met vlekken op hun rug en flanken en een lichte buik. Sommige heikikkers zijn vlekkeloos. Wel hebben ze vaak een lichte lengtestreep over de rug heen. En hij bezit een relatief grote graafknobbel op de achterpoot (ongeveer halve teenlengte). Heikikkers kunnen tot 8 cm groot worden. De heikikker lijkt veel op de bruine kikker alleen is hij kleiner en heeft hij een grotere graafknobbel, meestal een duidelijke rugstreep en een spitsere snuit. Heikikkers komen voor in Noord en Noordoost Europa. In Nederland in de meeste provincies in geschikte gebieden, maar op de meeste plaatsen niet algemeen.

Een van de bijzondere vogelsoorten van het Molenveld is de Klapekster. De klapekster is een wintergast die je op de Drentse heide en (hoog)venen kunt tegenkomen. Het is een prachtige soort met een bijzondere manier van leven. De klapekster is de grootste uit de familie klauwieren in Europa. Slachter, beul of slager is de betekenis van de wetenschappelijke naam (Lanius) van deze vogelfamilie. Deze zangvogel heeft een haaksnavel en poten met scherpe nagels. Hij vangt levende prooien zoals hagedissen, veldmuizen, kleine vogels en grote insecten. Ze leggen voedselvoorraden aan als ze genoeg prooien hebben gevangen. Daarbij worden de prooien aan scherpe voorwerpen gespietst, zoals doorns of dunne takjes. De Klapekster was een broedvogel in Nederland en dan vooral op heidevelden, hoogvenen en kap- of stormvlaktes in het bos, rond 2000 voor het laatst op de Veluwe. Tegenwoordig zijn het 'slechts' doortrekkers en in zeer klein aantal wintervogels, die voornamelijk uit Zweden komen.