LIBELLEN

Libellen; Flitsende vliegers

Een erg interessante insectengroep vind ik de libellen en juffers. Je ziet ze in het voorjaar, de zomer en zelfs in de herfst. De meeste echter vind je in de zomer, als het lekker weer is en de zon schijnt. Je kunt ze vaak bij vijvers en sloten zien, waar ze over het water scheren, op een waterlelieblad zitten, of in de planten langs de oever. Vaak zie je ze ook rondvliegen in tuinen of bij bomen. Veel libellen en juffers zijn behoorlijk groot en ze hebben heldere en mooie kleuren, ze vallen dus echt op.

Er zijn al heel lang libellen op de aarde. Al meer dan 300 miljoen jaar geleden vlogen er al libellen rond. Ze waren er dus al toen er nog Dinosauriërs bestonden! En wát voor libellen! Ze leken heel veel op de libellen die we nu zien, maar dan véél groter. De grootste libellen hadden een vleugelspanwijdte van wel 75 cm (spanwijdte Torenvalk 70-80 en Wilde Eend 80-95). Het waren de grootste insecten die ooit rondvlogen. Stel je voor dat die nu nog zouden bestaan! De juffers en libellen van tegenwoordig zijn een stuk kleiner. De grootste spanwijdte van een libel uit Amerika nu is 19 cm; de Reuzenjuffer. De grootse libel die er nu nog in Nederland rondvliegt, is de zeldzame Gewone bronlibel kan 8,5 cm lang worden; de Grote keizerlibel 8,4. De kleinste is de Tengere grasjuffer met 2,6-3,1 cm. Er zijn 71 soorten die in Nederland voorkomen. 23 hiervan zie je maar heel weinig of op een paar plekjes in Nederland. Die zijn dus heel zeldzaam.

Echt of nep?

Er zijn 2 groepen libellen: de echte libellen en de waterjuffers. Juffers zijn kleiner en slanker dan libellen, en de vleugels zijn gelijk van vorm. De echte libellen hebben voorvleugels die iets kleiner zijn dan de achtervleugels. Echte libellen houden hun vleugels in rust wijd gespreid als ze zitten, of soms zelfs naar voren. Juffers houden de vleugels schuin omhoog bij elkaar of een beetje gespreid. Verder hebben juffers ogen die eruit zien als speldenknoppen die aan de zijkant van de kop zitten, en bij echte libellen raken de grote, bolle ogen elkaar boven op de kop.

Een libellenleven

Een libel is een insect en de meeste insecten leggen eitjes. Maar libellen zijn wel bijzonder: ze leggen hun eitjes bij of in het water, zodat de jongen, als ze uitkomen, gelijk kunnen gaan zwemmen en op de bodem of tussen de waterplanten rondscharrelen.

Volwassen libellen gaan op zoek naar een partner en een plekje om eitjes te leggen. Veel mannetjeslibellen hebben een vast plekje bij het water dat ze tegen andere libellen verdedigen. Ze kijken vanaf een rietstengel of struik hun omgeving af, op zoek naar rivalen, een prooi, of een vrouwtje. Vrouwtjes zwerven vaak rond tot ze een mannetje tegenkomen om mee te paren. Dat is nogal ingewikkeld bij libellen. Tijdens de paring vormen ze samen een hartje, een zogenaamde ‘tandem’. Aan het achterlijf zitten bij vrouwtjes en mannetjes de geslachtsorganen. Het mannetje houdt met een soort ‘tang’ aan het achterlijf het vrouwtje achter de kop vast, dus moet hij zijn zaad eerst als een soort pakketje vastzetten op de grens van zijn borst en achterlijf. Als hij het vrouwtje bij de kop vasthoudt, buigt zij haar achterlijf naar boven en kan het pakketje zaad zo opnemen in haar geslachtsorgaan, ze maken zo samen een ‘hartje’. Op die manier kan het vrouwtje toch bevrucht worden en eitjes gaan leggen. De duur van de paring is bij de diverse soorten verschillend. Bij enkelen duurt het slechts enkele seconden, bij anderen duurt het enige minuten tot een of meer uren. Als het vrouwtje bevrucht is, volgt in vele gevallen onmiddellijk het eierleggen. Kijk in de zomer op een warme dag maar eens bij een vijver; daar zie je dan zulke tandems vliegen. Bij veel soorten juffers blijft het mannetje het vrouwtje vasthouden tot alle eitjes zijn gelegd. Dat is ook wel handig om het zo te doen, want een mannetje kan het vouwtje zo beschermen als zij haar eitjes legt.

De periode waarin libellen paren is afhankelijk van de soort. De meeste libellensoorten paren in de zomer, maar er zijn soorten die juist in het vroege voorjaar paren.

Juffers en libellen kunnen wel 200 (heidelibel) tot 1000 eitjes (glanslibel) leggen. Vrouwtjeslibellen zijn vaak anders gekleurd dan mannetjes, vaak bruiner of geelachtig.

Sommige libellenvrouwtjes zijn wat onverschillig: ze laten de eitjes in het water vallen, waarna die zinken (bv. Glazenmakers). Anderen prikken de eitjes in een waterplant, zodat ze beschermd zijn en niet opvallen ( bv. bij beek- en waterjuffers). De beek- en watejuffers kruipen tijdens het eierleggen vaak onder water. Ze kruipen wel enige decimeters diep en dit kunnen ze een aantal minuten volhouden, soms zelfs een half uur. De meeste eitjes komen binnen een paar weken uit, afhankelijk van de temperatuur. Bij de soorten die overwinterende eitjes hebben, duurt het wel langer, soms wel tien maanden. De jonge libellen worden vaak larven genoemd, maar eigenlijk heten ze ‘nimfen’; dat zijn insectenjonkies die niet verpoppen, maar wel steeds vervellen tot ze volwassen zijn. Libellennimfen kunnen soms jaren in het water doorbrengen voor ze groot genoeg zijn om ‘uit te sluipen’. Libellen leven als nimf een paar maanden tot wel 5 jaar in het water (afhankelijk van de soort), het vliegende insect leeft gemiddeld 6 tot 8 weken; soms nog geen 2 weken of soms tot enkele maanden!

De meeste libellen sterven enkele dagen na de voortplanting.

Wintertijd

In de winter zie je geen libellen vliegen. Het is dan veel te koud en andere insecten zijn er ook niet meer om op te jagen. Een volwassen libel kan ongeveer anderhalf tot twee maanden leven. De eitjes en jongen van de meeste soorten overwinteren in het water, om het volgend jaar weer verder te groeien en wie weet, wel uit te sluipen. In april kun je de eerste juffers weer zien vliegen.

Nimfen; vreselijke vreters

De nimfen van libellen hebben ook 3 paar poten, grote ogen en grote kaken. Het zijn echte rovers en veelvraten, die er niet tegenop zien om prooien te vangen die even groot zijn als zijzelf, ze scharrelen tussen waterplanten of op de bodem rond en vreten alles! Als ze nog klein zijn eten ze larfjes van kleine waterdiertjes, maar als ze groeien en groter worden vangen ze ook visjes en kikkervisjes, maar ook wel juffer- of libellennimfen die kleiner zijn dan zijzelf: het zijn dus ook nog kannibalen! De nimfen hebben kaken die ze kunnen uitklappen, en dan ook heel snel, zodat een nietsvermoedend waterdiertje zo gevangen wordt.

De nimfen zijn onafhankelijk van atmosferische lucht door het bezit van tracheen kieuwe. Dit zijn dunwandige uitsteeksels. Bij beek- en waterjuffers zijn er drie aanhangsels aan het achterlijfseinde, die bladvormige, loodrecht geplaatste kieuwen vormen. Deze kieuwplaatjes kunnen ze afwerpen wanneer ze ergens aan vast blijven zitten of gegrepen worden. Zelf wanneer een nimf alle kieuwplaatjes is kwijtgeraakt, kan ze zich nog behelpen met huidademhaling en later groeien de kieuwplaatjes weer aan bij de volgende vervelling. Bij de grote libellen hebben de nimfen de tracheekieuwen in het voorste deel van de einddarm gelegen. Vers water wordt naar de kieuwen gevoerd door in- en uitpompen door de darmopening.

Als na een tijdje de jonge nimf groter wordt, past hij niet meer in zijn huidje. Hij moet vervellen, en dat doet hij door uit zijn oude huidje te kruipen. Hij barst als het ware uit zijn velletje. Omdat het nieuwe huidje wat ruimer zit, kan hij weer groeien. De meeste soorten vervellen 10-13 keer voordat ze volwassen dieren zijn. Anders dan bij vlinders, gaan libellen niet verpoppen. Bij iedere vervelling, lijkt de nimf meer op het volwassen dier. Is de nimf helemaal volgroeid, dan gaat hij zoeken naar een plek om uit het water te kruipen: meestal is dat de stengel van een oeverplant, maar een paaltje of tak kan ook. Daar kruipt hij tegenop totdat hij helemaal uit het water is. Voor de laatste keer barst zijn huidje open, maar nu komt er een volwassen libel tevoorschijn. Deze blijft een tijd zitten om te drogen en het kleurloze bloed door de aderen van de vleugels te pompen. Is hij eenmaal droog, dan vliegt hij weg! Dit hele proces heet uitsluipen.

Daarna moeten ook nog op kleur komen, want jonge exemplaren zijn vaak nog minder kleurig.

Vliegende vreters

Volwassen libellen hebben stevige kaken waarmee ze hun prooi, zoals vliegen, muggen en vlindertjes, goed in kleine stukjes kunnen verdelen en opeten, dat doen ze zelfs terwijl ze vliegen! Ze vangen hun prooi met hun poten. Libellen zelf moeten uitkijken voor vogels vooral als ze net zijn uitgeslopen, want hun huid is dan nog niet hard en ze kunnen nog niet vliegen. Toch hebben grote, volwassen libellen weinig vijanden, omdat ze zo snel zijn en zo goed in de lucht kunnen wenden en keren. De kleine soorten, de juffertjes, moeten vooral goed uitkijken voor de grote libellen, die hen met smaak zullen oppeuzelen als ze de kans krijgen! Onder water worden de nimfen van de libellen graag gegeten door waterroofkevers, vissen en watervogels.

Ja, in de natuur is het toch meestal eten of gegeten worden!

Kop

Hij heeft een zeer beweeglijke kop die goed kan draaien, met grote facetogen en 2 kleine, dunne voelsprieten of antennes die nauwelijks opvallen en hij heeft stevige kaken, waarmee hij goed kan bijten en zijn prooi verscheuren. Een mens bijten ze niet of je moet ze al vastpakken; maar alleen erg grote soorten zullen je proberen te bijten, maar dat voel je nauwelijks.

Ogen

De kop heeft twee ogen, die uit heel veel kleine deeltjes bestaan, de facetten, dit noem je dan ook facetogen. In de ogen van juffers zitten wel 12.000 facetjes maar in de ogen van een libel wel 50.000.

Met het bovenste deel van de ogen kan een libel veraf zien, met het onderste deel ziet een libel alles wat dichtbij is. Met de sprieten of antennes kan de libel ruiken en zelfs snelheid meten, maar zien kan hij veel beter, met zijn ogen, daarom zijn de sprieten maar klein. Op een afstand van 30 meter kan de libel zelfs kleine vliegjes ontdekken.

Romp

Een libel heeft een romp of borststuk waar vier doorzichtige vleugels aanzitten, die niet gevouwen kunnen worden en zes poten. De poten van een libel zijn vaak behaard en lang en staan naar voren gericht. De romp loopt schuin omhoog en heeft ook segmenten, waar vaak strepen op zitten.

Vleugels

De 2 paar vleugels van libellen zijn groot, stevig en doorzichtig en er lopen fijne adertjes door, waar kleurloos bloed doorheen stroomt. De twee voorste vleugels zijn iets kleiner dan de achterste twee. Libellen hebben sterke vleugelspieren en kunnen heel snel vliegen. Ze hebben kleine vlekjes op de vleugels: een libel kan ze uit zijn ooghoek zien en gebruikt ze bij het wenden en keren. De vleugels zijn niet opvouwbaar. Ze vliegen bijna geluidloos, het enige geluid dat ze voortbrengen is een geritsel dat optreedt als beide vleugelparen tegen elkaar geklapt worden. Gewoonlijk zijn er 20 - 40 vleugelslagen per seconde, bij de waterjuffers wat minder.

Grote libellen kunnen meer dan 50 km per uur vliegen, en het zijn echte kilometervreters! De meeste vliegen voortdurend rond, zonder veel te rusten.

Een libel kan in de lucht razendsnel draaien, omdat hij zijn vleugels ook apart van elkaar kan bewegen. Andere insecten kunnen hun vleugels alleen tegelijkertijd op en neer bewegen.

Een libel kan zelfs achteruit vliegen. Hij kan dus eigenlijk vliegen als een helikopter!

Achterlijf

En een lang en meestal slank achterlijf dat uit delen bestaat, de achterlijfssegmenten. Het achterlijf is erg soepel, al lijkt dat niet zo. Het achterlijf van een libel bestaat uit 10 segmenten, vaak ook met vlekken of streepjes.

Wat heeft een libel nodig?

Water

Eén van de meest belangrijke dingen voor libellen is natuurlijk water. Hierin groeit de libel immers op. Libellen kunnen in veel soorten water voorkomen zoals in rivieren, heidevennen en moerasgebieden en in schone sloten.

Zon

Libellen zijn echte zonaanbidders: de meeste soorten vliegen rond als de zon schijnt. Net als alle insecten zijn libellen koudbloedig en hebben ze de zon nodig om op te warmen en actief te worden. Als het regent verstoppen ze zich en kunnen dus niet op zoek naar prooi. Maar soms kan het te warm zijn en dan zie je ook weinig libellen, want dan zitten ze in de schaduw om oververhitting te voorkomen.

Omgeving

Libellen houden van schoon water en een mooie omgeving, veel water- en oeverplanten, belangrijk voor de nimfen, rondom bomen en struiken om naar insecten te jagen en uit te rusten en te zonnen.