MIERENLEEUW

Mierenleeuw

In de Odoornerdennen weet ik een plek waar je larven van een mierenleeuw kunt vinden. Leeuwen op de heide bij Exloo? Ja hoor, echt waar!

Mierenleeuwen zijn insecten waarvan de volwassen dieren op libellen lijken. De larven leven in het mulle zand en graven een trechtervormige valkuil. Daarmee vangen ze spinnen en mieren. Met zijn platte kop duwt hij zand weg en gooit het ook naar mieren, die in de kuil zijn gevallen. De prooi valt in de trechter, wordt gegrepen door de grote kaken van de larve en daarna leeggezogen. De larven zijn van vroeg in het voorjaar tot ver in het najaar actief. De volwassen dieren hebben een korte levensduur. Mierenleeuwen gaan sterk in aantal achteruit. Dit insect eist rul zand van de goede korrelgrootte, want een toevallige passant die langs de rand loopt moet erin glijden en dat gaat alleen als de korrels lekker klein zijn.

Met zijn met gif gevulde kaken en een plomp, borstelig lijf, is de mierenleeuw in zijn larvenstadium een agressief roofdier, met een vindingrijke manier om zijn prooi in een hinderlaag te lokken. In contrast daarmee is de volwassen mierenleeuw een keurige eter die naar prooi zoekt op de planten waartussen hij leeft. Maar vergis u niet: het dier is zo klein dat het nauwelijks zichtbaar is. De lengte varieert van 5 tot maximaal    20 mm.
Gedurende de drie jaar van zijn larvenfase is het enige doel van de mierenleeuw om te eten en te groeien. Op een zonnige plaats, uit de wind en de regen, bakent dit sluwe roofdier met zijn poten een cirkel af in het zand of de grond. Hij beweegt zich achteruit en werkt in een spiraal. Hij blijft graven, gooit het uitgegraven materiaal eruit met zijn kop, totdat hij een trechtervormige kuil heeft gemaakt van ongeveer 7,5 cm breed en 5 cm diep. De larve blijft op de bodem van de kuil wachten tot zijn prooi langskomt.

Het lichaam is helemaal bedekt met haren. Daarmee voelt de larve dat er in de buurt iets beweegt. Diep ingegraven in zijn kuil steekt niets van de larve uit, behalve zijn kop en open kaken. Als een nietsvermoedende mier of spin bij de rand van de holte komt, maakt deze daarbij zand- of grondkorrels los en glijdt recht naar beneden in de kaken van de larve. Als de prooi erin slaagt zich onderweg vast te houden, smijt de mierenleeuw met zo'n kracht zand naar hem dat hij alsnog zijn greep verliest. De larve grijpt het slachtoffer met zijn onderkaken en spuit uit zijn bovenkaak gif en verteringssappen. Terwijl het gif het slachtoffer langzaam verlamt, gebruikt de mierenleeuwlarve zijn borstelige poten en onderkant om greep te houden in het schuivende zand. Dan zuigt hij zijn prooi leeg, gooit het karkas uit de kuil en maakt zich op voor het volgende slachtoffer. Mierenleeuwlarven graven hun trechtervormige kuilen vaak dicht bij elkaar, en vormen zo grote kolonies. Dit betekent dat wanneer er voedselschaarste is, niet alle larven zich kunnen voeden. Ze kunnen echter wel acht maanden overleven zonder voedsel. Als de herfst nadert, graaft hij zich dieper in en houdt hij een winterslaap.
Als een larve een zekere grootte heeft bereikt, meestal in de lente van zijn derde jaar, eindigt zijn larvenstadium. Hij stopt met eten en begint te verpoppen. Als hij helemaal volgroeid is produceert hij zijden draden vanuit zijn darmen, die hij gebruikt om een cocon te spinnen. Dit doet hij in een nest op de grond. Na ongeveer één maand is hij klaar om eruit te komen. Dat is een netvleugelig insect, een dier dat wel wat weg heeft van een libel, maar dan eentje dat minder goed en minder sierlijk vliegt. Een volwassen mierenleeuw leeft maar een paar dagen. 's Nachts fladdert hij tussen de struiken, op zoek naar prooi.

Overdag brengt hij rustend op een plant door. Na het paren legt het vrouwtje haar eitjes in zand of grond en sterft dan. De eitjes groeien uit tot larven en dan begint het "kuil voor een ander graven" weer van voren af aan. Een dag na het uitkomen, heeft een mierenleeuwlarve zijn eerste kuil gegraven.

De mierenleeuw behoort tot de Netvleugeligen. Wereldwijd zijn er meer dan 600 soorten mierenleeuwen, waarvan circa 40 Europese en in Nederland kennen wij twee soorten.

Bron: foto's van internet.