MOL

De gewone mol of Europese mol (Talpa europaea) spendeert een kwart van zijn tijd aan het zoeken naar voedsel. Omdat ze onder de grond leven hoeven mollen geen rekening te houden met een dag- of nachtritme. Mollen hebben echter wel degelijk een vaste dagindeling van lopen, graven, eten en rusten. Graven is hard werken en mollen moeten daarom regelmatig uitrusten van hun noeste arbeid. Mollen besteden eveneens circa een kwart van hun tijd aan het graven en herstellen van hun gangen en het verdedigen van hun territorium. Gedurende de rest van de tijd rusten ze. Indien een mol in een bodem met veel bodemdieren leeft is hij veel minder tijd kwijt aan voedsel zoeken dan in voedselarmere bodems.

Beschrijving

De lichaamslengte van een mol varieert van 11 tot 16 cm en het gewicht ligt tussen de 30 en 130 gram. Het wijfje is iets kleiner dan het mannetje. De mol heeft een korte zwartfluwelen vacht waarmee hij, dankzij een speciale plaatsing van de haren in de huid, even gemakkelijk voor- als achterwaarts door de gangen kan bewegen. Bij de meeste zoogdieren zijn de haren in een bepaalde richting geplaatst, meestal naar achteren, maar bij de mol kunnen de haren in de huidaanhechting kantelen, zodat ze niet blijven steken in de gangwanden als de mol achteruit krabbelt. Kenmerkend voor de mol zijn de tot grote graafhanden omgevormde voorpoten, met elk vijf vingers met puntige nagels en een duimpje, waarmee het dier de ondergrondse gangen graaft. Er worden zowel oppervlakkige gangen (de jaaggangen of mollenritten) als dieper gelegen gangen gegraven (tot op een diepte van 120 cm). De mol heeft kleine, slecht ontwikkelde ogen met een diameter van slechts één millimeter; hij is echter niet blind. Hij heeft geen uitwendige oren en ook zijn nek is niet te zien doordat die zo gespierd is. Zijn belangrijkste zintuig is zijn spitse roze snuit die gevoelige snorharen en tastzenuwen bevat. Zijn kleine staartje (20-40 mm) wijst altijd omhoog.

Leefwijze

De mol leidt een solitair bestaan. Alleen in de paartijd vormen ze paartjes. De rest van het jaar leeft de mol alleen in zijn gangenstelsel. Dat stelsel verdedigt hij of zij ook flink tegen andere mollen. Omdat hun territoria kunnen overlappen, communiceren mollen met elkaar door middel van geuren en geluiden. Mollen markeren hun territoria met urinesporen. In de loop van februari verlaten mannelijke mollen hun territoria op zoek naar ontvankelijke vrouwtjes. Gedurende enkele weken graven ze zich een weg over grote afstand. Ze laten zich hierbij niet gauw door een weg, sloot of geluidswal tegenhouden. In deze periode kunnen mollen tot wel enkele kilometers gravend afleggen, gedreven door hun drang om zich voort te planten. Dat ze hiertoe succesvol zijn blijkt wel uit de wijde verspreiding van de zogenaamde bronstgangen in ons land, die op dat moment het meest opvallen. Mollen kunnen daarnaast ook goed zwemmen en klimmen. Tijdens zijn zoektocht doorkruist de mol vaak het territorium van andere heren met een stevig duel tot gevolg. Niet zelden legt één van de heren daarbij het loodje. Vindt de mol echter een vrouwtje dat bereid is om te paren dan mag hij een paar uur in haar territorium blijven. De geslachtsdaad duurt echter hooguit enkele minuten en daarna moet hij snel maken dat hij wegkomt. De vrouwtjes zijn niet bepaald trouw aan hun mannen en paren met meerdere langskomende heren. Door meerdere paringen verzekeren zij zich van nageslacht. Na het paarseizoen, eind maart, keren de heren veelal terug naar huis om de rest van het jaar weer solitair door te brengen.

Voortplanting

In het voorjaar graaft het wijfje diep in de grond een centrale ruimte met verschillende gangen. De gangen zijn ongeveer 5 cm breed en kunnen tot wel 200 meter lang zijn. De uitgegraven grond wordt gedeeltelijk gebruikt om de wanden van de gangen en ruimtes mee te verstevigen, het overtollige wordt door de achterpoten naar achteren en naar boven gewerkt, waardoor aan de oppervlakte de molshopen ontstaan. Meestal monden hier ook de gangen van het gangenstelsel in uit. Deze uitgangen worden onder andere gebruikt om op het aardoppervlak nestmateriaal te verzamelen om de centrale ruimte mee te bekleden: bladeren, gras, mos, papier en ander zacht materiaal. In mei of juni worden de jongen geboren. Na een draagtijd van vier tot zes weken werpt het wijfje in het nest in de centrale ruimte 3 tot 6 (soms 2 tot 7) roze, naakte en blinde jongen. De jongen zijn dan 3,5 gram zwaar. Alleen het vrouwtje zorgt voor de jongen. Na 2 – 3 weken hebben de jongen een vacht ontwikkeld. De ogen gaan na circa 3 weken open, en na 4 weken verlaten de jongen voor het eerst het nest. Na 4 tot 5 weken worden de jongen gespeend. Na twee maanden zijn de jongen zelfstandig en verlaten ze het nest om een eigen territorium te zoeken, waarbij mollen met elkaar in gevecht kunnen komen. Dit zoeken naar een nieuw territorium gebeurt meestal bovengronds. Mollen zijn geslachtsrijp na 11 maanden. De mol wordt normaliter ongeveer 3 jaar oud, maar kan de 7 jaar halen.

Voedsel

De mol eet uitsluitend dierlijk voedsel. Het gangenstelsel van de mol fungeert hierbij als een val voor ongewervelde dieren; tijdens voedselrondes door zijn gangenstelsel, verschalkt hij de dieren die in de gangen zijn gevallen. Het belangrijkste voedsel is de regenworm. Daarnaast eet hij ook larven, insecten, spinnen of slakken en soms kleine ongewervelde dieren, zoals jonge muizen, een kikker of eieren. De mol moet per dag 40 tot 50 gram aan voedsel binnenkrijgen. In de herfst en winter legt hij voedselvoorraden aan. Daarvoor bijt hij de kop van regenwormen af, zodat ze verlamt raken. De mol verlaat zelden zijn gangenstelsel. Alleen om een nieuw territorium te zoeken, en een enkele keer om bovengronds insecten te vangen.

Ontstaan van molshopen

Niet alle sporen van zoogdieren zijn gemakkelijk te herkennen, maar over die van de mol is meestal geen verwarring. Iedereen kent ze wel, de aarden bulten in tuinen, weilanden maar ook in stadsparken en middenbermen van wegen. Elke winter vallen de grote hoeveelheden molshopen op maar zeker na de wat stevigere vorstperiodes, is dat het geval.
De mol graaft diepe en ondiepe gangen tot 1 meter diep, waarvan de totale lengte 60 meter kan bedragen. De gangen worden ook wel tunnels genoemd. Bij het graven ontstaan de bekende molshopen; hopen zand. In bosgebieden liggen de molshopen dikwijls onder afgevallen bladeren verborgen. De mol kan uitstekend graven, de oppervlakkige gangen graaft hij met een snelheid van 12-15 meter per uur. Tijdens het graven wordt de aarde langszij naar achteren gewerkt en vervolgens naar buiten geduwd. Soms liggen de gangen zo ondiep, dat ze te zien zijn door de omhoog gewerkte grond. Deze gangen worden 'mollenritten' genoemd en worden vaak gemaakt door jonge mollen op zoek naar een eigen territorium of door volwassen mannetjes, in de paartijd. Mollen graven achter hun prooi, regenwormen en andere bodemdiertjes aan. Aan het begin van de winter vluchten de wormen voor de kou, dieper de grond in en de mol graaft er achteraan. Dieper graven van nieuwe gangen levert grond op die ze kwijt moeten. Wanneer het weer warmer wordt, kruipen de regenwormen weer richting aardoppervlak. De mol gaat er ook dan weer achteraan, graaft nieuwe gangen en werpt dus extra hopen op. Daarom heeft het ook weinig zin mollen te bestrijden: als de mol verdwenen is, zal er in het algemeen binnen 24 uur een nieuwe mol in zijn gangen zitten. Om het nog erger te maken, willen die nieuwkomers ook nog wel eens het overgenomen gangenstelsel bijwerken; nog meer hopen dus.

Verspreiding en leefgebied

De mol komt overal voor waar de grond geschikt is om in te graven (dus niet te zandig, te vochtig of te stenig) en waar zich voldoende regenwormen in bevinden (dus niet te zuur). De mol heeft een voorkeur voor rulle, humusrijke grond met een niet te hoge grondwaterstand en permanente begroeiing. Hij komt vooral voor in loofwouden en graslanden, tot 2000 meter hoogte in de Alpen. Dit zoogdier komt voor in bijna geheel Europa.

Natuurlijke vijanden

Onder de grond heeft de mol geen natuurlijke vijanden, alleen zijn eigen soortgenoten. Boven de grond wordt de mol bejaagd door onder andere de uil, de buizerd, de blauwe reiger, de ooievaar, de wezel, de hermelijn en de vos. Andere doodsoorzaken zijn honger door droogte en verdrinking door overstromingen.

Relatie met de mens

De mol wordt om twee redenen door de mens bejaagd. Ten eerste is hun vacht geliefd om in kleding te worden verwerkt. De vacht van de mol heeft als bijzondere eigenschap dat het geen vleug kent. De haren staan dus niet in één bepaalde richting. Ten tweede zijn veehouders en gazoneigenaren niet gecharmeerd door de gaten, gangen en molshopen op hun grasvelden. Volgens de nieuwe Flora- en faunawet in Nederland is de mol vanaf maart 2005 niet langer een beschermd dier.

Bestrijding

Daar mollen schade kunnen toebrengen aan grasvelden en tuinen zoeken mensen naar manieren om mollen te verjagen of desnoods te doden. Een veel gebruikt middel is het plaatsen van mollenklemmen in de mollengang. Gebroken glas, pennen met een elektrische spanning, gifgas en andere middelen zijn bedacht, met wisselend succes. Wat mollen schijnt af te schrikken is de geur die door bloem van het bolgewas keizerskroon wordt verspreid. Het ruikt naar vossen.

Bijgeloof

De mol speelt ook een rol in het vroegere bijgeloof. Mollenpoten werden meegedragen voor geluk, en zouden bij kinderen helpen bij het doorbreken van de tanden; dit vanwege het verband dat men zag tussen de nagels aan de voorpoten van de mol en het doorbreken van tanden. Ook zou je een mol kunnen doden door hem op zijn gevoelige snuit te slaan.

Veel informatie is te vinden op www.mollen.info