REE

Het Ree (Capreolus preolus)

Algemeen

Het Ree was er al ver voor dat wij, mensen, er waren. Het Ree heeft nog steeds raadsels voor ons. Bijvoorbeeld de geweien van reeën die we uit de bodem van het IJsselmeer opgraven. Die zijn bijna een miljoen jaar oud. Tien keer zo lang als wij mensen op aarde leven. Het reewild heeft alle uitersten overleefd. Zou het kunnen zijn dat we iets van deze mooie dieren kunnen leren?

Een mannetjesree heet bok, een vrouwtje geit, een jong een reekalf en een groep een sprong. Het Ree

Reeën horen bij de hoefdieren omdat ze op de toppen van de tenen lopen. Doordat reeën hoeven hebben kunnen ze makkelijker op de grondsoorten lopen. Een Ree heeft ook een hele goede neus, zij kunnen er mee ruiken of een geit bronstig is. Dat betekend dat ze klaar is om te paren.

Het Ree heeft een zandgele tot roodbruine vacht in de zomer die in de herfst langer wordt en verkleurt tot grijsbruin. Af en toe komen er een zwarte of witte exemplaren voor. De keel is lichter van kleur en het achterwerk is witgeel wat in de winter het duidelijkst zichtbaar is. Deze vlek wordt spiegel genoemd en door het kleine staartje bij reeën is deze zeer opvallend. Het kleine staartje (twee tot vier centimeter lang) is alleen zichtbaar tijdens het ontlasten. Kalveren hebben donkere en lichte vlekken op hun vacht. De neus is zwart en de kin wit. Reeën hebben grote donkere ogen en grote oren. De poten zijn slank.

Reeën zijn zoogdieren die een gelijkblijvende temperatuur van 37ºC bezitten. Om zo weinig mogelijk warmte kwijt te raken, hebben ze net zoals de meeste andere zoogdieren veel haren en deze haren houden de warmte vast. Tijdens de wintermaanden en in het voorjaar hebben reeën een dikke vacht, die goed helpt tegen het koude weer.

Reekalfjes krijgen bij hun geboorte een witte vlektekening die voor een hele goede camouflage zorgt, maar die tekening gaat binnen een paar maanden weer weg.

Volwassen reeën verkleuren 2 keer per jaar.

Het ree of De ree?

Ik gebruik steeds Het Ree, omdat de zoogdierenvereniging dit ook aanhoud. Het groene boekje geeft aan dat het voor het dier ‘Ree’ beide mag, zowel de als het. Er wordt wel eens gezegd, dat alle normale mensen van de Ree spreken, maar jagers over het Ree. Maar of dit klopt?

Afmetingen
Bokken zijn iets groter dan de geitjes. Het Ree is wat grootte betreft te vergelijken met een grote herdershond.

Het Ree heeft een kop-romplengte van 95 tot 140 centimeter, een lichaamsgewicht van 16 tot 35 kilogram en een schofthoogte, dat is de hoogte tot de schouder, tussen de 60 en de 90 centimeter. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes. Mannetjes hebben gemiddeld een schofthoogte van 64 tot 67 centimeter, vrouwtjes van 63 tot 67 centimeter.

Er leven circa 65.000 tot 70.000 reeën in Nederland.

Het Ree is voornamelijk in de schemering actief. Van september tot april is hij voornamelijk 's nachts actief. Van mei tot augustus is hij ook meer overdag actief, en in gebieden waar hij niet wordt verstoord laat hij zich ook meer overdag zien. Reeën hebben een goed reukvermogen, hebben een goed zicht en een goed gehoor.

Reeën leven in het voorjaar en zomer (met uitzondering van de geit en haar jongen) min of meer solitair. De rest van het jaar leven ze in sprongen. Ze rusten en herkauwen overdag in de dekking. Ze zoeken voedsel in een aantal activiteitsperioden verspreid over de dag maar vooral in de schemer.

Reeën zijn gewoontedieren: ze gebruiken steeds dezelfde routes door het bos, de zogenaamde 'wissels'. Een Ree kan goed zwemmen en hard lopen. Een verontruste Ree stampt met de voorpoot. Een reegeit verdedigt haar jong door met haar hoeven te trappelen. Bij verstoring gaat een ree er met sierlijke sprongen vandoor, waarbij hij met gemak een hek neemt (soms wel 15 meter ver).

Reeën kunnen het hele jaar door 'blaffen', tijdens de bronst maken ze ook klaaglijke schreeuwtjes en produceren ze schor gepiep. Dat wordt Fiepen genoemd. Een geit maakt klagelijke kreten in de paartijd en wanneer ze haar kalf roept. Alleen de geit fiept, of met haar kalf, of om een bok te lokken in de bronsttijd. Bij onraad blaffen zowel bokken als geiten.

Jonge kalveren op zoek naar hun moeder maken wel een vergelijkbaar geluid. 

Gewei

De volwassen reebok heeft een eenvoudig gewei, bestaande uit meestal twee tot drie punten. Reebokken met vier tot vijf punten zijn meer uitzonderingen. Het gewei is meestal maximaal 25 centimeter lang. 's Winters groeit het gewei, en de basthuid wordt afgeschuurd tussen maart en juni. Tussen oktober en januari wordt het gewei afgeworpen. Aan de basis van het gewei zitten een aantal zweet- en talgklieren die een geurstof afscheiden. Hiermee bakent de reebok in de voortplantingstijd zijn territorium af.
Een enkele keer komen ook vrouwtjes met een gewei voor. Een jonge reebok van een jaar met alleen nog twee knopjes wordt ook wel knopbok genoemd. Wanneer het gewei nog geen vertakkingen vertoont noemt men het een spitser; en hoort bij een leeftijd van rond de twee jaar. Een gaffel heeft één vertakking. Toch is het aantal vertakkingen géén indicatie voor de leeftijd. Ook een jaarling kan al een gaffelgewei of een zesendergewei hebben. Dit is erfelijk bepaald en afhankelijk van de conditie waarin de bok verkeert. Oudere reebokken hebben meestal een zogenoemde zesender, met twee keer drie punten. Op latere leeftijd zouden ze weer een vertakkingsloos gewei kunnen krijgen.

Een gewei van een Ree wordt voor verschillende dingen gebruikt. Het Ree kan er goed mee vechten tijdens de bronst bijvoorbeeld. Ook doet het gewei dienst bij de afkoeling, dat komt omdat er bloed door het gewei stroomt. In het gewei koelt het bloed af. Het stroomt dan weer terug in het lijf en zo zit er afgekoeld bloed in het lijf. Aan het gewei kun je ook zien of een dier gezond is.

Voedsel

Het Ree is een "knabbelaar en eten kruiden, grassen, scheuten, bladeren en knoppen van bomen en struiken. Maar ook bessen, landbouwgewassen, twijgen, eikels, beukennootjes en paddenstoelen. Ze zijn heel kieskeurig met wat ze eten, maar ze eten niet alles wat voor hun neus komt. Ze ruiken er ook eerst altijd aan voordat hij het op eet. Ook kalveren moeten weten wat ze wel en wat ze niet kunnen eten, daarom moeten ze ook altijd eten naast de bek van de moeder. Het Ree eet enkel de meest voedzame delen van een plant. Zijn kleine pens kan slechts kleine hoeveelheden verwerken en is dus aangewezen op licht verteerbaar en energierijk voedsel. Het is raar dat reeën juist goed groeien als er geen water in de buurt is. Je zult een Ree dan ook niet vaak zien drinken. Omdat reeën vroeg in de morgen opstaan en al de bladeren nog zijn bedekt met dauw, krijgen ze toch nog voldoende water binnen.

Reeën zijn net zoals koeien en schapen herkauwers. Ze slikken het eten door zonder het fijn te malen en ze halen het na een tijdje weer terug om er voor de 2e keer weer op te gaan kauwen. Tussen eten en herkauwen zit meestal zo'n één (in de zomer) tot twee uur (in de winter).

Wanneer reeën eten, blijven vooral de oudere dieren alert op gevaar. Na elke paar happen, kijkt een van hen met een ruk op om lucht te snuiven en de omgeving af te zoeken.

Voortplanting en leeftijd

KalfjeIn juli-augustus begint de voortplanting met de paartijd, de bronst. Dan zoekt de reegeit de reebok op, waarna de reebok de reegeit lang kan achtervolgen (drijven). Uiteindelijk wordt de met de reegeit gepaard. De reegeit wordt dan door de reebok bevrucht. Na de paring, als de geit bevrucht is begint de draagtijd. Het Ree is het enige hoefdier met kiemrust. Dit wil zeggen dat de ongeboren vrucht zich pas later ontwikkelt waardoor de draagtijd verlengd is.

De bronsttijd valt in juli en augustus, maar pas eind december, na een verlengde draagtijd van 150 dagen, komt het embryo tot ontwikkeling. Hierna duurt het nog zo'n 144 dagen voordat het kalf wordt geboren, eind mei, begin juni. Geiten die niet in de zomer drachtig waren raken in oktober een tweede keer bronstig. Deze dieren zullen geen verlengde draagtijd ondervinden, en hun kalveren worden rond dezelfde tijd geworpen als bij die van dieren die in de zomer drachtig raakten.

Een reegeit krijgt meestal een tweeling, maar ook eenlingen en drielingen komen voor. De kalveren worden geboren tussen half maart en eind juni. Dit noemen we zetten, dan begint de zoogtijd. De plaats waar de kalveren gezet worden wordt door de geit uitgekozen. Kort voordat de geiten gaan zetten, zonderen ze zich af en bakenen een klein gebied af, dat ze gedurende drie weken verdedigt tegen andere geiten. Soms overlappen die zetplaatsen elkaar, in dat geval zijn de reegeiten meestal familie van elkaar.

Na de geboorte worden de reekalveren door de reegeit droog gelikt en de geboorteplek wordt door de reegeit zorgvuldig schoongemaakt vermoedelijk om zo weinig mogelijk geur achter te laten. Dat doet ze onder andere door de nageboorte op te eten. In tegenstelling tot wat men vroeger dacht bepalen reekalveren actief en zelfstandig hun ligplaats.

Bij de geboorte heeft een kalf allemaal witte vlekken op zijn rug. Deze verdwijnen al gauw weer. Het kalf ligt op een verdekte plaats op de grond.Als een ree geboren is probeert hij al meteen te staan, zijn moeder helpt hem dan een beetje. Na 2 uur durft het jong al een paar stappen te zetten.

In de eerste twee weken liggen de reekalveren vaak op behoorlijke afstand van elkaar. Om te zogen "roept", fiept, de reegeit de reekalveren naar zich toe. Waarschijnlijk omdat ze de precieze ligplaats niet weet. Dagelijks zijn de reegeit en de reekalveren maar gedurende een korte tijd bij elkaar. Jonge kalveren worden zo'n zes tot tien keer per dag gezoogd gedurende enkele minuten, oudere kalveren twee tot drie keer per dag. De rest van de tijd zijn de kalveren alleen. Tweelingen worden meestal apart van elkaar gezoogd, zo'n twintig meter uit elkaar. Daarna verstopt het reekalf zich weer en gaat bewegingsloos liggen, het drukken. Het vertrouwt op de schutkleuren en het weinig afgeven van geuren. Dat komt omdat de geurklieren tussen de hoeven van het kalf nog niet volledig ontwikkeld zijn en de geit, in de eerste week, ontlasting/keutels en urine van het kalf tot zich neemt waardoor er geen geur aanwezig is. Het reekalf kan, bij plotseling gevaar, zich ook min of meer laten vallen waarbij ze als het ware van de aardbodem verdwijnt. Na ongeveer twee weken begint het kalf vluchtgedrag te tonen en na drie tot vier weken volgen de kalveren gezamenlijk de moeder. Na twee maanden eet een kalf ook gras en na 6-10 weken is de zoogtijd voorbij. Het jong blijft bij de moeder tot de volgende worp, waarna het wordt weggejaagd. Meestal zijn dieren na veertien maanden geslachtsrijp, maar er zijn gevallen bekend waarbij dieren al na vier maanden geslachtsrijp waren.

Reekalfjes in het voorjaar blijven vaak liggen en vertrouwen volledig op hun schutkleur. Niet aanraken! Het beestje is niet verloren en de moeder is altijd dicht in de buurt. Ze kunnen dan gemakkelijk benaderd en opgepakt worden. Met name in deze tijd zijn ook loslopende honden en maaimachines een groot gevaar voor de jonge reeën. Het gebeurt dan ook regelmatig dat reekalfjes opgepakt worden, in de veronderstelling dat ze door de moeder in de steek gelaten zijn en in de reeënopvang moeten. Doe het niet. Het hoort zo. Tenzij het is omdat maaislachtoffers voorkomen moeten worden. Op een leeftijd van twee jaar beschouwen we een ree als lichamelijk volwassen. Afhankelijk van de kwaliteit van de biotoop neemt het lichaamsgewicht en de omvang nog toe tot op een leeftijd van ongeveer vijf jaar. Het ree wordt maximaal twintig jaar oud, maar de meeste dieren worden in het wild slechts zeven of acht jaar oud. Vrouwtjes worden iets ouder dan mannetjes.

Sporen

Vraatsporen
Vraatsporen van reeën zijn te vinden op bieten en knollen en herkenbaar aan afdrukken van de onder snijtanden (snijtanden zijn 4-5 mm breed). Het lijkt op tandafdrukken van een mens in bijvoorbeeld een appel. Wanneer een ree een stengel of twijg afbijt, ontstaat een schuin snijvlak dat aan de bovenkant gerafeld of vezelig is. Vraat aan jonge boompjes, zoals sparren, is vaak te zien aan dichte vertakkingen aan de voet van deze boompjes. Verder kunnen reeën vraatlijnen aan bosranden veroorzaken, tot op ongeveer 150 cm hoogte.

VeegsporenVeegspoor

In april kunnen veegsporen te zien zijn aan (jonge) bomen. De mannetjes vegen dan de bast van hun nieuwe gewei. Ook wrijft de reebok in die periode met zijn gewei langs bomen en struiken om ze van zijn geur te voorzien en zijn gebied af te bakenen. Aan de basis van het gewei zitten namelijk een aantal zweet- en talgklieren.

Uitwerpselen
De uitwerpselen van een Ree zijn 7-10 mm dik en 6-13 mm lang en eikel- of capsulevorming. Ze zijn donker van kleur en hebben vaak een holle pool. Vaak liggen ze in kleine hoeveelheden bij elkaar.

Loopsporen
De hoefafdrukken van het ree zijn 3-4 cm breed en ruim 4,5 cm lang, wanneer de bijhoeven te zien zijn, zijn de prenten tot 7 cm lang. De afstand tussen verschillende afdrukken kan tot 140 cm bedragen, wanneer het ree zich in draf voortbeweegt.

Verwarring met andere evenhoevigen is mogelijk. De prent is echter slanker en kleiner dan van Edel- of Damhert. Soms in zachte ondergrond of bij galopsprongen zijn de bijhoeven zichtbaar waardoor de prent op dat van een Wild zwijn lijkt. De bijhoeven van het Ree staan echter recht achter de afdruk van de voorhoeven, bij een Wild zwijn staan deze zijwaarts.

Het Ree maakt gebruik van wissels; regelmatig of veelvuldig belopen paadjes die ook vaak door andere dieren worden gebruikt. Deze wissels zijn 30 cm of meer breed.

Rustplaatsen

Reeën hebben meerdere locaties waar ze overdag rusten en herkauwen Zo’n rust-slaapplaats heet ook wel leger! Het blijkt, dat ze altijd zó gaan liggen dat ze eventueel gevaar kunnen ruiken waar ze het niet aan kunnen zien komen. Dat is doorgaans het bos zelf, omdat ook een Ree niet door gebladerte heen kan kijken. Legers vind je voornamelijk onder bomen.

PustplaatsEen leger is ongeveer 65-45cm. Let op of er nog een paar reeënharen liggen of zie je zijn prenten in de buurt?

Leefgebied en verspreiding

Het Ree komt voor in bijna geheel Europa en is daar de meest voorkomende hertensoort en hij neemt nog steeds in verspreiding toe.

Het Ree kwam in Nederland omstreeks 1875 buiten de Veluwe en Limburg in Nederland niet voor. Nieuwe vestigingen waren vaak afkomstig uit Duitsland. Pas in de loop van de 20e eeuw heeft de populatie zich, mede door de aangelegde nieuwe bossen, sterk uitgebreid. In de Voornse duinen aan de Noordzeekust werd in 1940 voor het eerst een reebok aangetroffen. De bezorgdheid rond 1950 over bedreiging van de stand door verkeer, stroperij, loslopende honden en recreatie blijkt onnodig te zijn geweest. Het Ree komt nu vrijwel in het gehele land voor. Op Ameland en Terschelling is het dier geïntroduceerd. Het Ree staat niet op de Nederlandse Rode Lijst voor zoogdieren en wordt dus niet bedreigd. In 2012 waren er naar schatting 67.000 reeën in Nederland.

Het Ree leeft in bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden, maar ook in heidevelden, rietvelden, duinen en akkerbouwgebieden. Hij heeft een voorkeur voor het overgangsgebied van loofbos naar open terrein, om er dekking te zoeken, te rusten en te herkauwen. In de schemering waagt hij zich in open terrein om te grazen. Op een warme dag blijft hij hier wel eens. Maar meestal verschuilt en rust hij in de beschutting. Het Ree is een cultuurvolger en past zich gemakkelijk aan cultuurlandschap aan. Voorwaarde is dat er voldoende voedsel, dekking en rust aanwezig is.

Beide geslachten hebben het grootste deel van het jaar een territorium waarbinnen ze het jaarrond blijven. Meestal overlapt het territorium van een mannetje dat van een of meerdere vrouwtjes. Een mannetje duldt geen rivaal in zijn gebied. Het territorium van een volwassen reebok bedraagt 5 tot 30 ha afhankelijk van voedselaanbod en leefomgeving. Aan de hand van geuren uit geurklieren bakent het mannetje zijn territorium af, meestal op bomen.

Reegeiten hebben ook een territorium dat ze niet verdedigen en dat vaak dat van andere geiten en/of bokken overlapt. In de winter leven ze in gemende groepjes bijeen, tot wel dertig dieren. Er geldt een duidelijke hiërarchie tussen de bokken. In het voorjaar vallen de sprongen uiteen en bakenen de reeën weer een territorium af.
Reeën leven over het algemeen solitair. Soms leven reeën in kleine groepjes van een vrouwtje, haar kalveren en soms een bok. Eenjarige reeën leven meestal ook in groepjes. Eenjarige geiten leven meestal in groepjes van twee, eenjarige bokken in groepjes van twee tot vier, soms met oudere bokken zonder een eigen territorium.

's Winters zijn reeën minder territoriaal, mogelijk omdat de dieren energie moeten besparen door voedselschaarste, of omdat door voedselschaarste dieren vaker hun eigen territorium moeten verlaten om voedsel te vinden. Ze kunnen zich dan zelfs samenvoegen in kudden van tot wel dertig dieren, met een duidelijke hiërarchie tussen de bokken.

Tijdens de bronst leggen de bokken grote afstanden af om bij reegeiten te komen. ’s Winters is voldoende bewegingsruimte zelfs van levensbelang om voedsel te vinden. In de bronst hebben reebokken een eigen territorium dat ze verdedigen. Over het algemeen blijven ze in hun gebied, maar jonge bokken verplaatsen zich wel om een eigen territorium te veroveren.

Bedreiging en bescherming

In Nederland komen niet veel reeën door predatie om het leven. Honden mogen over het algemeen in natuurgebieden niet los lopen. De 'normale' wilde predators van volwassen dieren zijn in Nederland niet aanwezig.

Vooral in de eerste weken na de geboorte zijn de kalveren gevoelig. Ook sterven dieren in de winter door infecties aan de luchtwegen of voedselgebrek. Daarnaast kunnen reeën slachtoffer zijn van verkeer of verdrinking, met name in het voorjaar wanneer reebokken op zoek gaan naar een eigen territorium. Ook worden reeën vaak verontrust, opgejaagd en zelfs gedood door niet aangelijnde honden. Om het aantal reeën in Nederland te reguleren wordt deze soort bejaagd.

Omdat het Ree vrij rond loopt is het verkeer een van de grootste doodsoorzaken voor het dier. Jaarlijks vinden zo'n 4.000 aanrijdingen plaats. Verkeersslachtoffers kunnen voorkomen worden door aanpassingen als wegrasters of wildspiegels langs wegen, het verlagen van de snelheid, wildovergangen zoals wildviaducten en uitstapplaatsen bij kanaaloevers. Daarnaast is het Ree gebaat bij een beheer dat gericht is op gevarieerde structuurrijke overgangen tussen bossen en open gebied met weilanden of kruidenzomen. Deze overgangen zijn belangrijk voor dekking, die reeën gebruiken om te herkauwen, te rusten en kalveren groot te brengen.

Er zijn in Nederland al veel maatregelen getroffen om het aantal aanrijdingen met reeën te verminderen, met wisselend resultaat.

Het aantal aanrijdingen met reeën varieert gedurende het jaar, doordat het gedrag van de dieren afhankelijk is van het seizoen. De meeste aanrijdingen vinden plaats in de lente. Dan gaan reeën, die in de winter in groepen leven, een meer solitaire periode tegemoet. Verbannen en op zoek naar een nieuwe leefomgeving steken jonge bokken regelmatig wegen over. Tijdens de paartijd in de zomermaanden jagen reebokken achter potentiële partners aan waardoor beide seksen zonder opletten de weg oversteken. Deze seizoensgebonden gedragingen leiden tot een verhoogd risico op aanrijdingen.

Door verdichting van de infrastructuur heeft het ree steeds minder aaneengesloten leefgebieden.  Bovendien worden deze vaak verstoord door recreatieve activiteiten (denk aan loslopende honden) en de landbouw (oogsten van beschutting biedend graan en maïs). Dit heeft tot gevolg dat reeën meer gaan migreren met gevaarlijke situaties bij wegen tot gevolg.

Desondanks is er geen andere diersoort de afgelopen eeuwen beschermd en bejaagd zoals het Ree. De combinatie van beide heeft er toe bijgedragen dat er voldoende leefomgeving is voor de overblijvende reeën, er een geleidelijk steeds groter wordend verspreidingsgebied is en er dus meer en gezonde reeën zijn. Dat heeft gevolgen. Niet alleen voor ons mensen omdat we er meer van kunnen genieten maar ook voor plant- en diersoorten die beïnvloed worden door de aanwezigheid van reeën. En tenslotte in ons samenleven met reeën. Het succes van het beheer leidt namelijk ook tot tragische confrontaties tussen individuele reeën en mensen.

Nu mensen meer van de natuur af komen te staan en de populatie reeën uitbreid moeten ook de kennis en de vaardigheden die in de loop der tijd zijn ontstaan, zich verspreiden. Afschot van reeën gebeurt in Nederland op grote schaal door jagers die georganiseerd zijn in wildbeheerseenheden. Motieven die aan de systematische jacht ten grondslag liggen:

schade aan de landbouw;

schade door verkeersongelukken;

soms wordt als argument gebruikt dat de ree van een cultuurvlieder een cultuurvolger wordt en steeds dichter bij woonwijken komt;

de populatie gezond houden en overbevolking tegengaan door zwakkere en ziek dieren te doden.

Zelf reeën zien

Wie zich rustig gedraagt, kan op veel plekken in de natuur reeën zien. Speur 's morgens vroeg of in de avond schemering eens langs bosranden of op andere open plekken waar mals groen te vinden is. De kans is groot dat je vroeg of laat een Ree ziet.

Het lijkt een wonder dat ondanks de uitbreidende samenleving, de reeënpopulatie zich kan handhaven en verspreiden. Dat is het niet. Het is een min of meer toevallige samenloop van omstandigheden, veroorzaakt door de wijze waarop wij in Nederland samenleven met reeën.

Soorten herten

Op de hele wereld komen meer dan vijftig verschillende soorten herten voor. In ons land leven drie soorten herten: Edelhert, Damhert, en Reeën. Edelherten en Damherten leven in Nederland het meest op de Hoge Veluwe en in België vooral in de Ardennen en de Hoge Venen. Reeën leven het meest in bosranden die naast weilanden liggen. Ze komen over heel Nederland voor. Een mannetjeshert wordt Hert genoemd en vrouwtjeshert een Hinde en een jong een Kalf. Een kudde herten noem je een Roedel en de paartijd noem je Bronstijd. Een hert wordt tussen de acht en twintig jaar oud en de Hinde krijgt een tot en met vier jonge per dracht. De herten behoren tot de herkauwers. De Edelherten worden ook de koningen van het bos genoemd.

Het ree is de kleinste van alle soorten herten in ons land. Het ree is dus geen jong hert.

Het Edelhert.

Het grootste dier van ons land is het Edelhert. De mannelijke herten bereiken een schofthoogte, dat is de hoogte tot de schouder, van zo'n een meter dertig en een gewicht van ongeveer honderdvijftig kilogram, terwijl de Hinde de vrouwtjesherten kleiner zijn en minder wegen.

Het Damhert.

Het Damhert is een bekend parkhert dat ook op de Hoge Veluwe voorkomt maar oorspronkelijk komt hij uit zuidelijken landen. De meeste Damherten die op de Hoge Veluwe leven zijn donker van kleur en niet zo gespikkeld als de parkherten. Damherten zijn kleiner dan Edelherten: de schouder ligt ongeveer 30 centimeter lager. Het meest opvallende kenmerk wordt door de mannelijke dieren gedragen, vooral het aparte schoffel-vormig gewei. Een Damhert gaat als hij snel weg moet voor gevaar niet rennen zoals een Edelhert, maar gaat stuiteren als een bal. Ze dansen dan met vier poten tegelijkertijd en hun staart zwaait op en neer.

Gemeenschappelijke kenmerken van herten zijn dat de mannetjesdieren (behalve rendieren) een gewei dragen dat jaarlijks wordt afgeworpen en opnieuw en groter aangroeit. Ook zijn het herkauwers. De familie van de holhoornigen, zoals moeflon en runderen, vallen ook onder de orde van evenhoevigen. Zij dragen geen gewei maar hoorns, blijvende uitsteeksels aan de kop van beide geslachten van dieren.

BRONNEN

Stichting Kenniscentrum Reeën

Zoogdieren vereniging

In het tijdschrift Zoogdier en het bijbehorende rapport kun je meer lezen over het onderzoek; Stappenplan vermindert aanrijdingen met reeën; 28 januari 2016.

Wikipedia