VLEERMUIZEN

De vleermuis (Chiroptera)

Vleermuizen zijn unieke dieren. Het is het enige zoogdier in Nederland dat kan vliegen. Een fascinerend dier dat met zijn handen vliegt, met zijn oren ziet en hangend aan zijn tenen slaapt. Ze hebben minuscule ogen, ontzettend grote oren en een nog grotere bek met een rij messcherpe tandjes. En ze leven ’s nachts. In bijna elke straat in Nederland woont een vleermuis. Een vleermuis eet wel 300 muggen, motjes en torren per nacht, dus hoe minder vleermuizen hoe meer insecten!

Vleermuizen: nachtelijke meester-vliegers

Hebt u wel eens op een mooie zomeravond een vliegend dier rond uw huis, bij een lantaarnpaal of in een park achter insecten aan zien gaan, en weet u zeker dat het geen vogel was? Dan hebt u naar alle waarschijnlijkheid een vleermuis gezien!
Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die 's nachts actief zijn; rond de schemering vliegen ze uit om insecten te gaan vangen. Ze worden vaak over het hoofd gezien, maar als u eenmaal weet waar u moet kijken en waar u op moet letten, kunt u op veel plaatsen vleermuizen ontdekken, ook vlakbij of misschien wel in uw huis!

Lichaamsbouw van Nederlandse vleermuizen

Vleermuizen kunnen vliegen dankzij een vlieghuid tussen de voorpoten (met sterk verlengde vingers) en de romp, en tussen de achterpoten en de staart. Deze vlieghuid bestaat niet zoals bij vogels uit dood materiaal (veren), maar uit levend weefsel. Het voordeel hiervan is, dat de vlieghuid bij verwonding snel kan genezen. De vleugel kan als een paraplu in- en uitgevouwen worden. Alleen de duimen en voeten steken buiten de vlieghuid uit
Door hun speciale bouw kunnen vleermuizen niet graven en zijn ze op boomholten, gebouwen, grotten e.d. aangewezen. Doordat ze een gemakkelijk beweegbaar skelet hebben, kunnen ze door zeer nauwe kieren (tot 1 cm) kruipen.

Leefwijze

In Nederland leven 17 verschillende soorten vleermuizen. Sommige soorten zijn zeldzaam, anderen (redelijk) algemeen. Vleermuizen leven zo verborgen dat wij meestal niet meer van ze zien dan een schim in de schemering die plotseling voorbij komt schieten. Overdag slapen vleermuizen hangend op hun kop en weggekropen op plekken waar ze moeilijk te bereiken zijn voor hun vijanden (roofvogels, uilen, katten, marters). Ze zitten op warme, droge, donkere plekken. Bijvoorbeeld in een spouwmuur, onder dakpannen van een modern gebouw of in een boomholte. Slechts een enkele soort hangt op zolders van oude gebouwen. Vleermuizen verhuizen regelmatig van plek. Elke avond in de schemering worden ze wakker en vliegen ze uit. Eerst even in de buurt drinken en dan op weg naar de plek waar ze op insecten jagen. Hiervoor gebruiken ze vaak lanen en begroeide oevers. Ze hebben die nodig om van A naar B te kunnen vliegen. Ze jagen in parken en half open bosgebieden met vooral veel water. Nadat ze genoeg insecten gegeten hebben, soms is dat al na een uurtje, gaan ze naar een huis of boom om even te rusten of vliegen ze terug naar plek waar ze overdag verblijven. Alleen op warme nachten of als ze jongen hebben, gaan vleermuizen meer dan een keer op jacht. Aan het einde van de nacht, rond zonsopkomst, zoeken vleermuizen hun verblijfplaats weer op om daar de dag door te brengen. Voordat ze naar binnen gaan vliegen ze een tijdje vlak voor de ingang rond. Dat ‘zwermen’ is heel mooi om te zien. Dus als je een keer vroeg op bent… De reden dat vleermuizen juist ’s nachts jagen is omdat ze dan minder zichtbaar zijn voor roofvogels. Bovendien hebben ze dan minder last van concurrentie van vogels die ook op insecten jagen. Alle Nederlandse (en Europese) vleermuissoorten voeden zich met insecten, zoals vliegen, motten en muggen. Twee soorten vleermuizen komen vrijwel overal in Nederland voor: de Dwergvleermuis en de Laatvlieger. De Dwergvleermuis is zo klein dat hij met opgevouwen vleugels in een lucifersdoosje past. De Laatvlieger is ongeveer twee keer zo groot, met uitgespreide vleugels zo'n 40 cm. Jagende vleermuizen zijn te vinden op beschutte plaatsen waar veel insecten zijn: bij houtwallen, in parken of op landgoederen, en bij water. De Dwergvleermuis en de Laatvlieger maken gebruik van schuilplaatsen in huizen en gebouwen. Dat kunnen oude bouwwerken zijn, maar ook nieuwbouwhuizen. Als er maar een beschutte plek te vinden is. De andere soorten vleermuizen verblijven ook in gebouwen of in holle bomen.

Vlieggedrag en echolocatie

Tijdens het vliegen stoten vleermuizen heel hoge geluiden uit. Deze geluiden zijn zo hoog (van 15.000 Hz tot 120.000 Hz), dat de mens ze niet kan horen en worden daarom ultrasoon genoemd. Vleermuizen kunnen een beeld vormen van hun omgeving aan de hand van de teruggekaatste geluidsgolven. Met dit echolocatie-systeem, ook wel sonar genoemd, kunnen ze in het donker feilloos de weg vinden. Ontdekken ze een insect, dan wordt razendsnel de koers aangepast en wordt de prooi door een knappe samenwerking tussen vleugels, staartvlieghuid en bek gevangen en opgegeten. Grotere prooien worden op de grond of in een verblijfplaats opgepeuzeld. Eén vleermuis kan per nacht honderden insecten, zoals muggen, motjes en kevers verorberen, omgerekend een kwart tot de helft van zijn lichaamsgewicht. Tussen de jachtmethoden van de verschillende soorten bestaan grote verschillen. Zo vliegt de Rosse vleermuis hoog en snel en lijkt daarbij op de Gierzwaluw. De Watervleermuis en de Meervleermuis vangen insecten door pal boven het wateroppervlak te vliegen. De Grootoorvleermuis jaagt tussen boomtakken of zelfs in openstaande schuren en heeft een langzame en zeer wendbare vlucht.

Jaarcyclus en verblijfplaatsen

Een jaar uit het leven van een vleermuis verloopt volgens een vast patroon.

Lente

In maart of april loopt de winterslaap ten einde. Dan kunnen op warme dagen ’s avonds vaak al jagende vleermuizen gezien worden. Meestal in de buurt van hun ‘winterverblijf’ (de plek waar ze hun winterslaap hebben doorgebracht). Eind april, begin mei, gaan de meeste vleermuizen weer terug naar de gebieden waar ze de zomer doorbrengen.

Zomer

Pas als de vrouwtjes in de lente weer voldoende hebben kunnen eten en een vetreserve hebben opgebouwd, wordt een eicel bevrucht met het in het najaar opgeslagen zaad. Vanaf half mei kruipen de vrouwtjes bij elkaar in “kraamkolonies”. Ze zitten dan met vijftien tot soms meer dan vijfhonderd van dezelfde soort bij elkaar. De jongen worden meestal in juni geboren. Vleermuizen krijgen doorgaans één jong. Dat alle jongen dicht bij elkaar op één plek zitten, heeft het voordeel dat zij elkaar warm kunnen houden. Maar het maakt vleermuizen ook kwetsbaar voor verstoringen. Vlak na de geboorte vliegt het jong op de buik van de moeder mee, later blijft het achter in de kraamkamer en wordt daar gezoogd of gevoed. Koude of natte zomers kunnen een grote sterfte onder de jongen veroorzaken. De jongen worden zo’n vier weken lang zowel overdag als ’s nachts gezoogd. Het is voor de vrouwtjes ’s avonds hard werken. Nadat ze een half uur tot een uur op jacht gaan, zogen ze hun jong, waarna ze weer uitvliegen op insectenjacht. Na vier tot vijf weken (ongeveer half juli) zijn de eerste (nog wat onbeholpen) vluchten van de jongen te zien. Eind juli / begin augustus valt de kraamkolonie van vrouwtjes met jongen uit elkaar en zie je in de omgeving alleen nog kleinere groepjes vleermuizen.                                                                                                                                                                                          De mannetjes brengen de zomer alleen of in kleine groepjes door. In de nazomer begint de paartijd. De mannetjes van sommige soorten vertonen in deze periode een opvallend baltsgedrag, waarbij ze, vaak vanaf vaste plekken, naar langsvliegende vrouwtjes roepen.

Herfst

In augustus breekt voor veel vleermuizen de paartijd aan. Mannetjes proberen met luid geroep vrouwtjes naar hun verblijfplaats te lokken en met ze te paren. In plaats van dat na de paring de eicel wordt bevrucht slaat het vrouwtje het zaad op in een speciale klier. Het vrouwtje is dan nog niet meteen zwanger. Ze bevrucht zichzelf pas in het voorjaar. Niet zo gek, want tijdens de winterslaap zwanger zijn of een pas geboren jong hebben is niet handig. Vanaf deze periode tot aan de winter proberen vleermuizen hun vetreserve weer aan te vullen en zoeken hun winterverblijfplaatsen op om in winterslaap te gaan. Hiervoor leggen de meeste vleermuizen zo’n dertig tot honderd kilometer af. Een enkele soort vliegt wel meer dan vijfhonderd kilometer of zelfs meer dan duizend kilometer.

Winter

Zodra de avondtemperatuur buiten vaak onder de 10˚C komt gaan ze in winterslaap. Ze hangen, weggekropen, in koele, vochtige, vorstvrije ruimten met een constant lage temperatuur van 5-10˚C om ongestoord te kunnen overwinteren. Sommige soorten overwinteren “ondergronds” in kelders, forten, ijskelders, bunkers en mergelgroeven, maar er zijn ook soorten die in bomen of spouwmuren de winter doorbrengen. In hun winterslaap zakt de lichaamstemperatuur van de vleermuizen (tot 5˚C) evenals hun ademhaling, hartritme en stofwisseling. Met het lichaam “op een waakvlammetje” kunnen zij met hun opgedane vetreserve net de winter doorkomen, totdat in het voorjaar de eerste insecten weer tevoorschijn komen. De lengte van de winterslaap verschilt per soort en kan vijf tot zeven maanden duren. Zo’n winterslaap is geen lange aaneengesloten slaap. Af en toe wordt een vleermuis wakker om te drinken of om zelfs buiten op de schaarse winterinsecten te jagen. Doordat dat wakker worden ook energie kost, kan een vleermuis dat niet te vaak doen. Verstoringen van de winterslaap kan tot gevolg hebben dat een vleermuis het einde van de winter niet haalt.

Sporen

Uitwerpselen van vleermuizen zijn langwerpig, bruin tot zwart en bevatten fijne tot grove insectendelen; het formaat is afhankelijk van de soort, van 1 x 3 mm tot 4 x 15 mm. Ze kunnen alleen in en bij de verblijfplaatsen gevonden worden, bijvoorbeeld op kerkzolders of tegen de muur en op de vensterbank onder de uitvliegopening. Op plaatsen waar veel vleermuizen verblijven, bijvoorbeeld bij een kraamkolonie in een boomholte of onder een daklijst, kunnen opvallende meststrepen aangetroffen worden.

Bedreiging en bescherming

Hoewel vleermuizen erg oud kunnen worden (soms tot meer dan 20 jaar), zijn ze als diergroep kwetsbaar. Al tientallen jaren worden de vleermuizen in hun winterverblijven geteld. Toen uit deze tellingen bleek, dat de meeste soorten sterk in aantal achteruit gingen en enkele soorten zelfs uit ons land verdwenen waren, zijn alle 17 soorten vleermuizen in 1973 bij de wet beschermd. Het is niet toegestaan deze dieren te doden, te vangen, te verstoren of in bezit te hebben.
Bedreigingen voor vleermuizen zijn o.a. restauratie en isolatie van gebouwen, het gebruik van bestrijdings- en houtconserveringsmiddelen, het rooien van holle bomen, het verdwijnen van jachtgebieden en verstoring tijdens de winterslaap. Vleermuizen zijn niet eng of gevaarlijk, zoals sommigen denken, maar interessant en nuttig. Hoe meer er van vleermuizen bekend is, des te beter kunnen ze beschermd worden.

Waarnemen en onderzoek

Met behulp van een speciaal apparaat, de ultrasoonontvanger of bat-detector, kunnen ultrasone geluiden van vleermuizen hoorbaar gemaakt worden. Het is hiermee ook mogelijk te bepalen om welke soort het gaat. Met bat-detectors kan gezocht worden naar jachtplaatsen, vliegroutes en kraamkolonies; dit is vaak erg spannend!
Is er eenmaal een kolonieplaats gevonden, dan kunnen hier 's avonds de uitvliegende vleermuizen geteld worden.

Vleermuiswerkgroep Nederland van de VZZ

In Nederland wordt het onderzoek aan vleermuizen gecoördineerd en uitgevoerd door de Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN) van de VZZ (zoogdiervereniging). Bijzondere waarnemingen van vleermuizen, zoals kolonies in gebouwen of holle bomen, kunt u doorgeven via de VZZ. Neemt u ook contact op met de VZZ als u meer wilt weten over vleermuizen en/of andere zoogdieren.

Vleermuizen in huis

Meestal blijft een vleermuis in een huis of gebouw onopgemerkt. Maar er kan overlast optreden als een kolonie vleermuizen in ruimtes boven plafonds en achter muurbetimmeringen terechtkomt of zelfs in een kamer doordringt.
Een rondvliegende vleermuis in de kamer is wel even schrikken. Gevaar is er echter niet. Als u in de avondschemering de ramen openzet, vindt de verdwaalde vleermuis meestal zelf de weg naar buiten. Bij aanhoudende overlast moeten natuurlijk maatregelen worden getroffen. Vaak kunt u vrij eenvoudig voorkomen dat vleermuizen in ruimtes komen waar ze niet gewenst zijn. Belangrijk is wel dat vleermuizen door zulke maatregelen niet ingesloten raken. Raadpleeg daarom iemand die deskundig is! Voor hulp en advies bij overlast door vleermuizen kunt u contact opnemen met uw gemeente of de dierenambulance. Meer informatie over vleermuizen in huis staat op www.vleermuis.net

Rabiës (hondsdolheid)

De kans dat een vleermuis rabiës overbrengt is zo goed als nul. In Nederland is er maar één soort (laatvlieger) die de ziekte kán hebben. De overige 19 soorten vleermuizen in Nederland zijn dus niet besmet. Bovendien kan de ziekte alleen overgebracht worden door een beet van een vleermuis. Een vleermuis zal nooit zomaar uitzichzelf bijten. Alleen als het dier wordt opgepakt kan hij uit zelfverdediging bijten.
Pak dus nooit zomaar een zieke of gewonde vleermuis op: niet aanraken!!. Dit geldt ook voor andere dieren, want elk (ziek) dier kan ziektes, zoals hondsdolheid hebben. Hondsdolheid is slechts in enkele zeldzame gevallen bij een vleermuis geconstateerd.
Vleermuizen die op een ongewenste plaats zijn gevonden pak je voorzichtig op met een oude handdoek of probeer de vleermuis met een stokje in een glazen pot te manoeuvreren. Wordt u onverhoopt toch gebeten, raadpleeg dan onmiddellijk uw huisarts. Vleermuizen in een spouw of onder het dak vormen geen gevaar. Als u ze met rust laat, bijten ze niet. Zieke vleermuizen worden niet dol, zoals honden, maar verzwakken en gaan tenslotte dood.

Veel informatie vindt u op www.vleermuis.net

Bron: website Zoogdiervereniging VZZ,