VOGELTREK

DE VOGELTREK


1. Waarom trekken vogels weg? Eigenlijk is het antwoord heel gemakkelijk. Wanneer vogels geen voedsel meer kunnen krijgen in het gebied waar ze zomers gebroed hebben, trekken ze weg. Ook zijn er vogels die niet goed tegen de kou kunnen. Deze trekken ook weg. Hoe noordelijker vogels broeden ( bv. Siberië), hoe eerder ze besluiten om weg te trekken. Hoe zuidelijker ze broeden, hoe eerder ze zullen blijven (bv. Spanje). Hoe is de vogeltrek ooit ontstaan? Voor het ontstaan van de vogeltrek moeten we ongeveer tien duizend jaar terug gaan. Tien duizend jaar geleden kwam er een eind aan onze laatste ijstijd. In de ijstijd was Noord Europa een lange tijd bedekt met ijs en sneeuw. De grens van het ijs lag in ons land op de lijn Haarlem-Nijmegen. De vogels die voor de ijstijd in Nederland en Noord Europa voorkwamen, zijn tijdens de ijstijd naar het zuiden gevlucht (Afrika en het Middellandse-Zeegebied). Na duizenden jaren begon het ijs te smelten in Europa en werd het warmer. Het ijs smolt en het landschap veranderde langzaam. Door deze veranderingen werd Noord-Europa weer interessanter voor vogels. Bijvoorbeeld uit Afrika en het Middellandse Zeegebied. De soorten vogels die hier voor de ijstijd leefden kwamen geleidelijk aan weer bij ons terug. Doordat het landschap veranderde gingen er ook bepaalde vogelsoorten bij ons weer weg. Wanneer het in de herfst kouder begint te worden trekken veel vogels naar het zuiden waar hun voor ouders in de ijstijd naartoe gevlucht zijn.

2. Waar gaan ze naar toe? Lange afstandstrekkers: Dit zijn broedvogels die elk jaar een hele grote afstand afleggen tussen hun broedgebied en hun winterverblijf. Deze vogels trekken zo ver weg, omdat ze vaak maar één soort voedsel lusten (bijvoorbeeld alleen maar insecten). Een vogel die een van de grootste afstanden aflegt is, de Noordse Stern. De Noordse Sterns broeden in Groenland en andere Noordelijke poolstreken. In de trektijd vliegen ze zeker zo’n 30.000 km. Ze vliegen van de Noordpool naar de Zuidpool toe Bij de Noordse Stern is vooral de duisternis en de kou een reden om naar de Zuidpool toe te trekken. Op de Zuidpool is dan geen duisternis en het is de minder koud (Middernachtzon). Op de Noordpool is het dan de hele dag donker en het is de veel kouder. Je zou kunnen zeggen dat de Noordse Stern de zon achterna vliegt. Korte en middellange afstandstrekkers: Deze vogels trekken niet zo ver. Kraanvogels en Spreeuwen behoren tot die groep van korte en middellange afstandstrekken. Ze leggen hooguit een paar honderd kilometer af. Ze vliegen dan van Nederland naar Frankrijk of van Nederland naar Spanje. Ook zijn er vogels die alleen weg trekken wanneer het slecht weer begint te worden, de zogenaamde "slecht-weer-trekkers". Deze vogels trekken niet meer dan 100 kilometer. Enkele voorbeelden van "slecht-weer-trekkers" zijn: Kieviten, Scholeksters en Wulpen. Een leuk voorbeeld is het trekgedrag van de Kievit. Wanneer de kou intreedt, vliegen ze naar Frankrijk. Zodra de kou over is vliegen de Kieviten weer naar ons land terug. Zo vliegen Kieviten soms een paar keer heen en weer.

3. Hoe weten we waar trekvogels naar toe vliegen? De meeste informatie over trekvogels hebben we gekregen door vogels te ringen. Mensen van het vogeltrekstation vangen vogels om ze te ringen. Een vogel krijgt dan een ring om de poot en wordt dan weer vrijgelaten. Op de ring staat een nummer, het land en de naam van het vogeltrekstation waar de vogel ooit geringd is. In Nederland worden de meeste vogels geringd bij het vogeltrekstation in Arnhem. In andere landen zijn ook vogeltrekstations waar vogels geringd worden. Wanneer mensen een dode vogel gevonden hebben die een ring om heeft, dan kunnen ze die opsturen naar het vogeltrekstation. Ze moeten er wel bij schrijven waar en wanneer ze de vogel gevonden hebben. Op deze manier ontdekken ze bij het vogeltrekstation waar de vogel naartoe is gevlogen. Want daar weten ze precies waar en wanneer de vogel geringd is. Tegenwoordig kunnen we via radarbeelden de vogels ook tijdelijk volgen. We kunnen dan op de beelden zien waar ze dan vliegen. Op vliegvelden werken ook vogelwachters die via radarbeelden grote groepen vogels in de buurt van het vliegveld kunnen signaleren. Dit is belangrijk, omdat wanneer een groep spreeuwen in aanraking komt met een vliegtuig, het neerstortingsgevaar zeer groot is. Afrika: Vogels vliegen naar een land waar ze voldoende voedsel kunnen vinden om te overwinteren. De vogels die naar Afrika gaan zijn voor het grote deel vogels die insecten en kleine diertjes eten. Het gaat om lange afstandstrekkers zoals: Grasmussen, Boerenzwaluw, Vliegenvangers, Tuinfluiters, etc. In Afrika gaan de vogels naar plekken waar af en toe regen valt. Door de regen en de warmte begint alles zeer snel te bloeien. Doordat daar alles begint te bloeien komen er veel insecten op af. Insectenetende vogels vinden hier dan ook voldoende voedsel. Vogels als vliegenvangers en Grasmussen blijven hier dan net zo lang totdat het voedsel op is. Daarna gaan ze weer naar een andere plek waar voldoende insecten aanwezig zijn. Europa en het Middellandse-Zeegebied: De meeste middellange-afstandstrekkers vliegen naar het Middellandse-Zeegebied om te overwinteren. Voor hun is dat ver genoeg om hun voedsel te verzamelen. Er zijn ook vogels uit IJsland en Noorwegen die bij ons overwinteren. Voor deze vogels is er genoeg voedsel in ons land te vinden. Deze vogels noemen we "wintergasten" De vogels die in Europa en het Middellandse-Zeegebied overwinteren zijn niet afhankelijk van één soort voedsel. Je hebt "alleseters" Een voorbeeld hiervan is de Kraai. Deze vogel eet bijna alles. De Kraai eet onder andere: insecten, wormen, slakken, zaden, muizen. Een Vink is ook een "alleseter". In de herfst en winter eet hij/zij alleen maar zaden en in de zomer eet hij/zij vooral insecten. De vogels die maar één soort voedsel lusten (bijvoorbeeld insecten) moeten vaak heel ver vliegen. De Boerenzwaluw lust alleen maar insecten en moet dan ook helemaal naar Afrika vliegen om daar voldoende insecten te kunnen krijgen. Vandaar dat deze vogel ons land al in september/oktober verlaat om op tijd in Afrika te komen.

4. Hoe en op welke manieren vliegen ze? Met behulp van eigen spierkracht: De meeste vogelsoorten vliegen met behulp van hun eigen spierkracht. Door met hun vleugels op en neer te slaan, komen deze trekvogels in hun land van bestemming. Voor vogels die lange afstanden moeten afleggen kost dit veel energie. Een trekvogel moet veel eten om op een goed gewicht te komen. Tijdens het vliegen verliezen trekvogels veel lichaamsgewicht. Tijdens de lange vliegreis kan de maag zo’n 25% krimpen wanneer ze onderweg niet kunnen eten. Vaak komen ze uitgeput en sterk vermagerd in hun winterverblijf aan. Omdat hun maag sterk gekrompen is kunnen ze zich niet meteen weer volproppen met eten. Na een tijdje wordt de maag weer groter en kunnen ze weer normaal eten. Gebruikmakend van thermiek: Roofvogels en Ooievaars hebben een andere manier gevonden om te trekken. Ze trekken duizenden kilometers zonder moe te worden. Ze eten onderweg bijna niets. Ra, ra hoe kan dat?

Zoals je misschien weet is warme lucht lichter dan koude lucht. Warme lucht stijgt daarom naar boven. Als de zon schijnt wordt de lucht boven land verwarmd. Op de warmste plaatsen stijgt de lucht. Zo’n plek waar warme lucht naar boven stijgt noemen we "thermiek". Thermiek bevindt zich vaak boven droge stukken land. De meeste thermiek is er op zonnige dagen met weinig wind. Op zulke dagen trekken er veel Roofvogels en Ooievaars. Roofvogels en Ooievaars maken hier dus veel gebruik van. Ze zweven al cirkelend naar boven. Totdat je ze bijna niet meer kunt zien. Dan gaan ze in glijvlucht naar de volgende thermiek. Daar zweven ze weer naar boven en zo vliegen ze van thermiek naar thermiek. Ze vliegen zo vele kilometers zonder één keer met de vleugels te hoeven slaan. Thermiek ontstaat alleen boven land. Veel Roofvogels en Ooievaars moeten dus zoveel mogelijk boven land vliegen. Toch moeten ze een gedeelte over zee trekken. Ze zoeken dan de plekken op waar de oversteek over zee het kortst is. Op de wereld zijn maar een paar van zulke plekken. Daarom moeten deze vogels vaak grote omwegen maken. Op zulke plaatsen zie je dan ook duizenden Roofvogels die hier de oversteek wagen. Een van die plekken is Falsterbo aan de zuidpunt van Zweden. Nog een plaats waar veel Roofvogels overtrekken is de Bosporus bij Istanbul. Ook bij Gibraltar in Zuid-Spanje is een bekende plaats waar Roofvogels en Ooievaars de oversteek wagen. Deze plekken zijn zeer bekend voor mensen die graag naar vogels kijken. Trekroutes van verschillende soorten trekvogels Zangvogels: De zangvogels zijn insecteneters of zaadeters of beide. De zangvogels die alleen maar insecten eten, vliegen vanuit heel Europa naar Afrika toe. De zaadeters blijven gedeeltelijk hier, maar de meeste vliegen tot aan de Middellandse-Zee waar ze overwinteren. In ons land trekken de zangvogels in een breed front. Dat wil zeggen dat de zangvogels als een brede lijn over ons land trekken. Dus vanaf Scheveningen tot in Enschede kun je zangvogels richting het zuiden zien trekken. Wel worden de meeste zangvogels in Oost-Nederland gezien. Zoetwatervogels: Veel Smienten, Zaagbekken, Toppereenden, en kuifeenden komen o.a. vanuit Scandinavië en Rusland naar ons land om te overwinteren. Bij zacht weer blijven ze in ons land. Bij strenge vorst vliegen ze door naar het Middellandse-Zeegebied of Noord-Afrika. De meeste zoetwatervogels zie je in ons land tijdens de trek bij het IJsselmeergebied, De Waddenzee, het Deltagebied in Zeeland en langs de grote rivieren in Nederland. Zeevogels: De zeevogels trekken hoofdzakelijk op volle zee. Enkele zeevogels zijn: Zeekoeten, Alken, Stormvogels en Jan van Genten. Met telescopen en verrekijkers kun je deze vogels vanuit de duinen op zee goed zien. Dan zijn er ook nog getijdenvogels. Deze vogels komen vanaf Noord-Rusland en gaan via de Waddenzee naar de Afrikaanse kust. Ze maken een tussenstop in de Waddenzee. Hier eten ze zich goed vol. Wanneer ze dik genoeg zijn vliegen ze in één ruk door naar de Afrikaanse kust. Een bekende getijdenvogel is de Rosse Grutto en de Drieteen Strandloper. Deze vogels zie je veel in september en oktober in het Waddenzeegebied. Roofvogels: Roofvogels trekken vooral over het Oosten van ons land. Ze maken veel gebruik van opstijgende warme lucht waar ze op zweven. Deze warme opstijgende lucht wordt ook wel "thermiek" genoemd. Door middel van thermiek zweven de Roofvogels naar Zuid-Europa en Noord-Afrika. Hoe vinden ze de weg. Hoe doen die vogels dat toch, om elk jaar maar weer op dezelfde plaats terug te keren. Ze hebben geen kaarten, wegwijzers en toch lukt het ze. De Grutto keert elk voorjaar weer terug naar hetzelfde weiland. De Fitis keert elk jaar weer in dezelfde tuin terug. De drang om te gaan trekken is aangeboren bij vogels. Ook hoe ver ze trekken en waar ze naar toe trekken is aangeboren. Vogels hebben een soort ingebouwd kompas in hun hoofd. Eén daarvan is het "zonnekompas". Hierbij houden de vogels de richting van de zon in de gaten. Vogels die ‘s nachts trekken maken gebruik van een soort "sterrenkompas". De vogels richten zich dan op één punt, bijvoorbeeld de Poolster. De Poolster blijft altijd op dezelfde plek staan, ondanks het draaien van de aarde. Hierdoor kunnen ze de juiste trekrichting bepalen. Wanneer het bewolkt is heb je dus niets aan een "zonnekompas" of "sterrenkompas". Geen nood, want vogels hebben namelijk nog een derde soort kompas welke ze kunnen gebruiken. Dit is het "magnetische kompas". Vogels kunnen het magnetische veld van de aarde voelen. En daardoor kunnen ze de juiste trekrichting bepalen. Mensen weten nog niet alles over hoe vogels nou de weg precies kunnen vinden. Hiervoor is meer onderzoek nodig. Misschien dat we over een paar jaar meer weten.

5. Welke gevaren komen ze onderweg tegen? De jagers: vogels komen tijdens hun rein vele gevaren tegen, één daarvan zijn de jagers. In de landen die aan de Middellandse-Zee liggen, wordt veel op trekvogels gejaagd. De trekvogels die ieder jaar tussen Europa en Afrika heen en weer vliegen, lopen het meeste gevaar. In Zuid-Europa staan duizenden jagers klaar om de vogels te doden met vangapparaten zoals: netten, strikken, en lijmstokjes en door geweren. Alleen in Italië al, worden zo’n 200 miljoen vogels gedood. In Griekenland en Turkije, Malta en op Cyprus worden jaarlijks miljoenen vogels geschoten of gevangen. Er worden verschillende soorten netten gebruikt. Ook worden er lokvogels op het water gezet om andere vogels te lokken om ze vervolgens af te schieten. Verder zijn er ook nog nepbosjes waarvan de takken met lijm ingesmeerd zijn. De vogels die hierop landen blijven met de poten vast zitten en gaan dood. De meeste jagers gaat het alleen om de "sport" Ook zijn er in Zuid-Europa vele restaurants waar verschillende trekvogelsoorten gegeten worden. Deze vogels worden dus voor de consumptie afgeschoten. Veel Ganzen worden afgeschoten, omdat ze het land van de boeren beschadigen. (Ganzen eten graag gras). In Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië en de Scandinavische landen mag er op vele trekvogelsoorten niet meer gejaagd worden. De jacht is dus één van de oorzaken waardoor verschillende trekvogel soorten achteruit gaan. Naast de menselijke jagers zijn er ook nog dierlijke jagers die een bedreiging vormen voor de trekvogels. Voorbeelden van dierlijke jagers zijn o.a. de Vos, Marterachtigen en Roofvogels. De Sahara: De Sahara ligt in Afrika. Vogels als de Boerenzwaluw en de Grasmus moeten over de Sahara vliegen om in hun overwinteringgebied te komen. Door de droogte van de laatste jaren is de Sahara steeds breder geworden. Een vogel kan daar nergens landen. Er is alleen maar gloeiend heet zand en er is geen water of voedsel te vinden. Voor kleine vogels wordt het steeds moeilijker om over de Sahara heen te vliegen. Vele redden het niet en gaan dood. Vogels zoals: Oeverzwaluwen, Grasmussen zien we daardoor steeds minder in Nederland. Vervuiling: De belangrijkste bedreiging voor de trekvogels is het kapot maken van hun leefgebied. De laatste honderd jaar is er voor de vogels heel veel veranderd. Natuurgebieden moesten plaats maken voor fabrieken, stadsuitbreiding en nieuwe wegen. Hierdoor kwam er ook meer vervuiling die natuurgebieden aantasten. Denk maar eens aan zure regen die Dennenbomen aantasten. Er zijn ook genoeg schepen die hun afval dumpen in de zee. Regelmatig spoelen er nog met olie besmeurde vogels aan. Dan zijn er ook nog mensen die hun afval laten slingeren wanneer ze in de natuur wandelen. Ze gaan gezellig naar het bos en laten als dank papier en plastic achter. Vooral trekvogels hebben hier veel last van. Tijdens hun reis naar hun winterverblijf komen ze door vele bevuilde natuurgebieden. Ze lopen dus meer gevaar dan een vogel die maar op één plaats blijft (dit noemen we een standvogel). Noodweer: Trekvogels kunnen in dichte mist in de war raken welke richting ze op moeten vliegen waardoor ze omwegen maken. Ze kunnen ook noodweer treffen boven zee. Hier kunnen ze nergens landen waardoor ze van koers af kunnen wijken. Ook lopen ze zo de kans dat ze niet op tijd voedsel kunnen vinden. Het zou dus kunnen dat trekvogels hierdoor niet voldoende vetreserves kunnen aanleggen. Ze lopen dus de kans om door uitputting hun winterverblijf niet te halen. Een plotselinge kou inval waardoor de vogels moeten landen, brengt ook gevaren met zich mee. Ze kunnen hierdoor flink onderkoelen of vast vriezen.

6. Hoe belangrijk is ons land voor de vogeltrek? Ons land is heel belangrijk voor de vogeltrek! Nederland beschikt over veel water en is dus belangrijk voor veel trekkende en overwinterende watervogels. De Waddenzee, en het Deltagebied in Zeeland zijn belangrijke gebieden voor deze vogels. Deze watervogels kunnen hier voldoende voedsel tot zich nemen waardoor ze voldoende vet reserves opbouwen. De Waddenzee kun je zien als een soort tankstation waar de vogels kunnen bij tanken om daarna hun weg naar het winterverblijf te vervolgen. Het IJsselmeer en de Oostvaardersplassen zijn vooral belangrijk voor Eenden (Kuifeend, Toppereend, Zaagbekken). In Friesland en Groningen zijn nog genoeg plekken waar Ganzen ongestoord voedsel kunnen zoeken en uit kunnen rusten. Nederland is dus een land waar veel vogels door heen trekken en een pauze houden om te eten en te rusten. Gelukkig zijn er in Nederland nog voldoende van zulke gebieden. Als je nog meer informatie wil weten over de vogeltrek, klik dan op de onderstaande titel. Hier vind je informatie welke je goed kunt gebruiken voor een werkstuk over vogeltrek.

7. Hoe weten de vogels dat ze en wanneer ze terug kunnen keren? Het vogeljaar kent vaste ijkmomenten. Na de broedtijd gaan vogels ruien, daarna opvetten en dan op trek. Dat is geen vrije keuze van een vogel, maar zijn lichaam dicteert dat. Daglengte speelt een rol, maar als één proces klaar is, triggert dat een volgend proces. We weten dat de start van het broedseizoen en de start ven de najaarstrek worden ingegeven door daglengte, althans daglengte speelt een belangrijke rol. Met proeven is aangetoond dat wanneer je de daglengte met kunstlicht kunstmatig veranderd, het broeden of het op trek gaan ook beïnvloed wordt. Zeer waarschijnlijk spelen in Afrika soortgelijke processen een rol. Als vogels vermagerd aankomen triggert dat het opvetten. Sommige soorten ruien in Afrika en dat proces hangt samen met opvetgehalte en voedselaanbod. Er zijn maar weinig vogels die op de evenaar overwinteren. Dus daglengte variatie kan ook in Afrika trigger zijn voor een volgende fase in het vogelleven. Als de vogel eenmaal de trigger heeft om terug te vliegen, kan het best zo zijn dat hij eerst naar een tussenstation vliegt en daar nog weken blijft om op te vetten. Waarschijnlijk worden er andere hormonen aangemaakt als de optimale graad van opvetting wordt bereikt en is dat de trigger om naar het noorden te gaan vliegen. Kortom, er zijn wel vermoedens, maar de werkelijke triggers en de onderlinge samenhang van vele factoren kennen we eigenlijk niet